Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GRONDREGEL ALLER WAARHEID. Bjjn

dus betracht hy zyns gelyken niet anders dan als zyne Broeders en.Vrienden; hy vindt in de Dieren en PJanten het noodige voedzel, ja in de ganfche Matuur zelve ontdekt hy, dat de Heere voor zyn onderhoud waakt en zorgt. Waar de (ondankbaar.:) Mensch, die niet dan zyne Begeerlykheden raadpleegt, niets ondervindt als oorzaaken van ontevro denheid, daar vindt hy, die den Godsdienst toe zynen Leyrisman heeft, geieegenheid zynen Schepper hartelyk te danken.

Die het geluk heeft, door den liefdaadigen geest van den Godsdienst bezield te zyn, geniet op eenen dag meerder vreugd en vergenoegen, dan de wellustige Waereldling in zyn geheel leven.

Het GELOOF.

Ook zonder Myfterien, zegt de ongeïoovige, kah men aan eenen Godsdienst gelooven. —Niets njfttder als dat. Aan een Religie zonder Myfterien fca'ri God geen deel hebben , want hy zelve is het groo « He aller Myfterien, en al wat van hem komt, röoet het kenmerk daar van aan zich hebben.

De duifierheid des geloofsfiellingen is van de goddelyke Religie onafzonderlyk.

Het Chriftelyke geloof'heeft van de onderzoeking der deugdzaame (waare) Philofophen niets ie. vreezen; want hoe meer men verftand en Yicfds tot gerechtigheid heeft, zo veel te meerder óaitMt men deszelfs fchoonheid.

Het geloof is een bovennatuuilyke gaaf, dieC I aan oprechte en leerzaame harten Ichehkt.

Het geloof hcerscht over het vernuft, de gen: ': over de natuur, dc liefdaadigheid over de éigeiiefde. Alles , wat van God komt is in sjicfa goed; doch dewyl 'er niets is, daar de mensch gei ft misbruik van maakt, zo valt de natuur, maai < e S 3 god-

Sluiten