Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAGAZIJN VOOR TÏE CRITISeHE WIJSBEGEERTE. 581

van alle onze eigen vrije" daaden, en die van anderen volgends zedenlijke wetten, tot eene natuurlijke be^ f, zigheid, ja tot eene gewoonte maken, en ons oordeel daartoe opfchranderen , door fteeds, in de eert ,, Ite plaats , ons zelf te vragen , of deze daad mee ,, eene zedelijke wet, en wel bepaaldelijk, met welke ,, dezelve overeenkomt? Hier door leeren wij dan dio ,, wetten onderfcheiden , welke alleenlijk flechts een grond tot verbindtenis opleveren, van de genen, die, in de daad , zelve verbindende zijn. — Het tweede ,, punt, waarop wij letten, is de vraag, of de daad ,, ook, onderwerpelijk , om de zedenlijke wet zelve, ,, dat is, uit eerbied voor haar, gcfchiede, en derhal,, ven, niet flechts zedenlijk richtig zij, als daad, maaE ,, zedenlijke waarde, tevens, als gezindheid, ten aan,, zien van derzelver maxime, hebbe?" (Dit laatfte kan toch alleen gelden van onze eigen daden , niet in de beöordeeling van de daden van anderen. Bij deze moeten wij ons tot het eerfte alleen bepalen, naamlijk met de beöordeeling, of dezelve overeenkomen met de zedenlijke wet, en dus zedenlijk richtig zij: en ook hieromtrent komen wel eens zwarigheden op.) — Op dezen grondflag voordwerkende , ontvouwt hij de voordeden van zoodanige gehoorzaming der zedenlijke wet uit een zuiver denkbeeld van pligt, en met terzijdeftelling van alle beweegredenen, ontleend uit belang. Bij bet lezen van deze Verhandeling zal het niet kunnen misfcn , of elk verltandige en deugdzame moet de voortreiiijkheid cn verhevenheid eener uit pligtbezef voordvloeiënde deugd gevoelen; alleen hadden wij wel gewenscht, dat v. H. tevens onderzocht en aangewezen hadde , of en in hoe verre de goedkeuring van het Opperwezen, dat volkomen Ideaal van heiligheid, en bij wien de voorvverpelijk-praétifche Rede, te gelijk onderwerpelijk praétisch is, als drijfveer tot moraliteit, kan worden aangemerkt.

De derde plaats in dit Stukjen bekleedt eene korte aanmerking van den Heer servaas, op een gezegde in het voorgaande Stukjen.

Eindelijk hebben wij hier den aanvang eener Verhandeling van van hemert, over de Methode der Zedenleer , benevens eenige voorbereidende aanmerkingen tot dezelve , die iu het volgend Stukjen wordt vervolgd, waarom wij het bericht van deze gefplitlte Verhandeling |iefst achtereenvolgend geven. —

Kk 5 De-

Sluiten