Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPHELDER. BERICHT WEGENS HET LEV. VAN LUCIFERt 519

bij bloote redeneering opgemaakt, maar ook door waarneming en ondervinding geftaafd gezien hadden , deed zulks ons in. het flot onzer beöordeeling de aanmerking maken : „ Dat het

ons verwonderde, dat een man als fokke, die zoo veel „ kunde en belezenheid met zoo veel vernuft paart, zoo veel „ tijds verbeuzelt , dien hij nuttiger bededen kon , dat hij „ zoo veel tot vermaak en zoo weinig tot wezenlijk nut „ fchrijft." Men lette wel op, dat wij hier in den tegenwoordigen, geenszins in den voorleden tijd fpreken , als hebbende bij deze aanmerking alleenlijk het oog gehad op die genen van 's mans fchriften , welken door hein in de laatfte jaren in het licht gegeven, en door ons van tijd tot tijd aangekondigd en beoordeeld zijn , zonder zijne verdienden in vroegere, of ook veelligt andere , ons nog onbekende , werken daardoor te willen benadeelen. Ook verklaren wij niet alle de door ons bedoelde gefchriften voor louter beuzeltaal ; maar dewijl het nut, dat 'er voor de meeste Lezers in fteekt, zeer gering is, in vergelijking met het geheel, zeggen wij, dat F. veel tijds verbeuzelt en weinig tot wezenlijk nut fchrijft. (Let wel: fchrijft; niet gefchreven heeft).

Verder, en voornaamlijk is dat Ophelderend Bericht door F. gefchreven om de verdenking wegens misbruik van gewijde zaken, hem in onze beöordeeling van lucifer ten laste gelegd , van zich af te weeren. Ten dien einde ontvouwt hij het leerbegrip der aloude Oosterfche Wijsgeeren omtrend „ een „ eenig alles beftuurend Opperwezen, eenen het gantsch .Heelal „ vervullenden Geest, uit welken andere, mindere Geesten als „ zo veele uitvloeifelen (emanatiën) voor'ükwamen, door wien „ het Beftuur des Heelals, in onderfcheidene vakken, middelijk „ geöeffend werdt." — En bepar.ldlijk ten aanzien van de Perfiaanen, dat deze leerden: „ dat uit het eerfte alles befttiurende „ wezen, twee onderfcheidene wezens, te weten een goed, na„ melijk Orosmasdes , en een kwaad te weetcn Ahrimanes ,, waren voordgekomen , dat echter beide afhanglijke, en ge„ duurig tegen elkander flrijdende wezens waren ; wier twist „ door een middenwezen , Mithra geheten , gefladig beflechc en verzoend werdt," enz.

Gaarne willen wij geloven , dat dit leerftelfel den Schrijver, bij het vervaardigen van zijnen Roman, voor den geest gezweefd , en dat hij dus met zijnen orosmasdes geenszins den jehovah der Hebreen bedoeld Ijebbe. Gerecdlijk Memmen wij toe, dat hij zelve best en vrij beter dan de Rccenfent of iemand anders Zijner Lezeren weet, weten kan en weten moet, wat hij gemeend heeft. Maar de^ groote Vraag , daar het hier op aankomt, is: Of hij zijne mening tok zoo duidelijk voorgedragen hebbe, dat zij voor geene an~ dere , met zijne mening flrijdige, opvatting vatbaar is? En ef hiertoe ook in de wijze van voordragt aanleiding gegeven worde ?

Kk 4. Te»

Sluiten