is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe vaderlandsche bibliotheek, van wetenschap, kunst en smaak.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«5*

aanmerkingen

Du Ham el moet hier het eerst genoemd worden. Deze uitmuntende Schrijver heeft twee onderftellingen voorgefteld (*), waarvan hij wel ras de eerfte heeft verworpen, en de tweede als waarfchijnlijk ftaande gehouden. De eerfte ftelt, dat het gedeelte van den bladftcel, waarmede het blad aan den ftam of takken gehecht is, minder vastheid krijgt in dien tijd, dat het tot de plant behoort, dan de overige organen der boomen van den zelfden leeftijd , dat het hierdoor ligter aangedaan wordt, door den Herfstvorst de ontblading voorafgaande, daardoor fterft, en van den boomtak affcheidt. Maar hij zelf merkt als tegenftrijdig tegen "deze onderftelling op, dat de bladen in het begin van den Herfst te voorfchijn komende, en dus veelteerer zijnde dan de overigen, veel langer hunnen afval afweereh. Daarenboven, om van andere verfchijnfelen niet te fpreken, welken ftraks tot ftaving van ons gevoelen zullen dienen, zouden de bladen niet kunnen afvallen, zonder door den vorst aangedaan te worden. Het tegendeel ondertusfehen grijpt plaats ,■ daar zij zelfs in de broeikasfen afvallen , van die boomfoorten , welken jaarlijks omtrend den zelfden tijd alle hunne bladen verliezen.

De tweede ftelling van duhamel (t) , welke hem zelven meer bevalt, verklaart het afvallen der bladen dusdanig: de bladen waasfemen op dezen tijd een' grooter voorraad vochten uit, dan 'er door de wortelen wordt aangevoerd, hierdoor droogen zij uit, en kunnen daardoor de uitzetting , welke de takken , waaraan zij groeien , onderwijl verkrijgen, niet volgen : zoodat de plaats hunner verëeniging verbroken wordt.

Dan het blijkt, zoo uit de proeven van anderen (§), als uit de onzen, dat de bladen op het tijdftip van hunnen afval bijna niets uitwaasfemen , en fchoon de bladen eeniger planten , op dien tijd, fehijnen uit te droogen, anderen door overvloediger fap zwellen, eindelijk dat jongere bladen , zeer gefchikt om de uitzetting der takken te volgen, even zeer als de reeds lang volwasfenen afe vallen.

In het jaar 1781, trachtte de zeergeleerde mustel

(*)»

(*~) La Phijftque des Arbres, Part. I. Pag. 12$.

(f) Ibidem, Pag. 130.

($) HALfts Statiqu* des Fegetanx.