Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c 138 y

1) De veelvuldige plooijen in de fcheede.

Het is zeker dat deze plooijen of fronzels in de fcheede bij eene onbevlekte maagd in eene bij de Ontleders kenbare fchoonheid, worden aangetroffen, en dat zij bij gedurig herhaalde bijflapen of kramen van tijd tot tijd verminderen, en in het einde geheel verloren gaan. De zaak van dezen kant befchouwd, kan men de hiervan afgeleide kenteekens niet allen grond van zekerheid ontzeggen. Jntusfchen is het toch noodzaaklijk in aanmerking te nemen, dat niet éene enkle omhelzing, maar wel herhaalde bijflapen dit teeken der maagdelijke kuischheid vernietigen.

Wat nu de engte der fcheede, in dit geval, betreft, is dezelve te onderfcheiden, om 'er eenig gevolg uit te trekken. Dit hangt af, 1) van den ouderdom, 3) van de vogtigheid, droogheid, of wellustigheid van het temperament; 3) van het postuur (h); 4) van ziekten,

hoofdzaaklijk van den witten vloed, enz.

Voor het vlieten der maandelijkfche ontlasting is

de

(Jt) Hier op doelt het fpreekwoord: Nofcitttr ex mfo quantt Jithcrfla v'tro : nofcitur ex labüs quantum fit V'irgims antrum. De ervaring eehter lêert, dat het in het laatfte geval, meer dan in het eerfte plaats heeft.

Sluiten