Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fi43 TOEZIENDE.

lyk opzigt hebben , en van hetzelve komt af 't Grieksch woord, waar mede de Herders en Opzienders der Gemeente doorgaans beftempeld (taan in de Schriften des N. Testaments.

Die moeten agt hebben op de geheele Kudde, naardien de H. Geest hen tot Opzienders gefteld heeft om de Gemeente Godts te, zueiden, Hand. XX: 21. Waar toe ook ftrekt de vermaaninge van Petrus, i Br. V: 2. TVeidet de Kudde Godts, die onder u is , hebbende opzigt daar over. Waartoe dan mede behoort, dat zyniet alleen Godtloóze bedryven beftraffen , maar ook vreemde Leeringen en wanbegrigpen te keer gaan, en alle beletfels zoeken uit den weg te ruimen , die de Geloovigen zouden kunnen ophouden in, of doen afwyken van den rechten loop. (al) Dus zal dit toezien mede mogen aangemerkt worden, als eenen den Leeraaren aanbevoolen pligt: Want moeten die waaken voor de Zielen, en- zullen die daar van eens reekenfchap moeten geeven, Hebr. XIII: 17, dan moeten zy ook toezien, dat niet iemand veragtere van de genade; met allen ernst daar tegen waarfchouwen, de traagen aanmoedigen, de zwakken onderfteunen, en de Afgedwaalden opzoeken en weder te recht brengen. (B) Maar vermits de Apoftel niet in 't byzonder fchreef aan de Opzienders, maar in 't gemeen aan geheel de Gemeente der Hebreen , zo zal deeze vermaaninge om toe te zien ook eene algemeene vermaaninge zyn, (et-S) die- elk eenen raakte voor zyn'Perfoon. Elk is toch de naaste om opzigt te hebben over zich zeiven , om zyne oogeleeden recht voor zich te houden, en te zveegen den gang zynes voets, opdat hy niet afwyke ter rechter - noch ter {linkerhand, Spr. IV: 25, 26, 27. Gelyk het volgende in 't 16 f. dat niet iemand zy een Hoereerder, of 'Onheilige — mede behoort tot het toezigt, 't welk elk moet hebben op zich zeiven, zo ook dit in 't 15 f. (B/B) Maar ook raakt deeze vermaaninge eikeenen, ten aanzien van zynen Naaften. Daarom was 'er reeds gezegd , C. X; 24. Laat ons op malkanderen agt geeven tot opfcherpinge der liefde en der goede werken. EnC. III: 13. Maar vermaant malkanderen — opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleidinge der zonde. Dit is een pligt , die wy aan malkanderen fchuldig zyn. Die geeftelyk zyn moeten door den geest der zagtmoeaigheid,te recht brengen,den geenen, die door eenige misdaad overvallen •worden, Gal. VI: 1, 2. Een iegelyk moet wel zien op het zyne, maar niet alleen:_ Maar ook op het geene dat des naaften is, Philipp. II: 4. En dat. zo veel te meer, omdat het een pligt

TOGARMA. TOL,

is van zo groote aaiigeleegenheid, want die eenen afgedwaalden bekeert van de dwaalinge zynes wegs, zal eene Ziele behouden van den dood, en eene menigte van zonden bedekken , Jakob. V: 19, 20.

TOGARMA , was de jongfte Zoon van Gomer, en door denzelven een Kleinzoon van Japhet, Genef. X: 3; Men leest van de Kinderen van Togarma, 1 Chron. I: 6 , en van het Huis van Togarma, Ezech. XXVlI: 14. en XXXVIII: 6. Men vraagt, welk Land die bevolkt hebben? Naar 't meest aangenoomen gevoelen , hebben zy Kappadocie bevolkt, zynde op zyde van Paphlagonic, meer Oostwaards geleegen. Men brengt daar toe twee voornaame bewyzen by. (&)Dat Ezech. XXXVIII: 6, het Huis -van Togarma wordt gezegd te zyn aan de zyden van 't Noorden te weeten, ten aanzien van het Joodfehe Land* En dat is zo iets, 't welk op Kappadocie byzonder toepasfelyk is. (3) Het ander is, dat Ezech. XXVII: 14. tot Tyrus wordt gezegd:: Uit den Huize van Togarma keverden zy: Pacrdcn, Ruiters en Muilezels op uwe Markten. Deeze Dieren nu werden in geen Land overvloediger geteeld, dan in Kappadocie. Men kan het afneemen uit het geene Strabo 'er vanzegt, dal Kappadocie tot een Jaarlyksch tribuit aan de Perfen opbragt 15000 Pacrdcn, ïqooMuielzels en 700 Schaapen. Bochart heeft dit verder bevestigd uit Solinus, Theophraftus,, en vooral uit Philoftorgius, die in deezen van het meefte gezag is, naardien hy een Kappadociër was. Zie B tchienc H. Geogr. D. III. p. 66, 67.

TOHU , 1 Chron. XVIII: 9 , 10.. Zie THOI.

TOKHATH, 2 Chron. XXXIV: 22. ZieTIKVA.

TOL , behoort mede tot de inkomften r die Koningen en Vorften doen heffen van hunne Onderdaanen, tot onderhoud van hunne Hof-houdinge, hoogere en laagere Amptsbedienden , het Krygs - weezen en andere noodwendigheeden van den Staat: Welke te betaalen, elk verpligt is, Rom. XIII: 7, ten zy iemand uit hoofde van zyn Ampt, door eene' byzondere gunst daar van ware vry gefteld : Gelyk Koning Arthafafta in zynen Gunstbrief verklaarde, dat men den Priefteren , Leviten , Zangeren, P oor tier en en andere Dicnaarcn van Godts Huis niet zou vermogen op te leggen den cyns, ouden impost en' tol, Ezr. VII: 24. Deeze inkomften werden van onderfcheidene zaaken, onder verfcheiden naamen , geheeven. Men leest in de

Schrif-

Sluiten