Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t49 V E R B O N D.

aan te merken als een Geestelyk Huwelyks- m Verbond, Ezech. XVI: 8; waarom Godt al ook elders fpreekt van de liefde hunner on- d dertrouw, en zegt, dat Hy ze getrouwd gc hadde, Jerem. if: n. III: i4i.zo konde n hetzelve niet grover en meer in't open- al baar worden overtreeden dan door net plee- in sen van Afgodery. Dit was zo veel als een E fawandelen van vreemde Boelen, en wordt d, dïïrom meermaals voorgefteld onder de J teekenbg van Hoerery en Overfpel Van d Israël of Ephraïm wordt gezegd: D« * * *r i^rjw verleidt ze, dat ze van onder n hunnen Godt wech hoereeren, Hol. IV. 12, g en van Jud*: Zy bedreef overfpel met fteen \en hout, Jerem/lll: 9. W« Maar wan- « neer men let op 't geene hier vooraf gaat , t zo mag men denken, dat hunne overtree. r dinge hebbe beftaan, (A) in een weder e afwyken van eene voorgenoome en belpot- v de Bekeering, waar door zy, naar uiter- g lvken fchyn, het Verbond wederom met g Godt vernieuwd hadden.. Dat mag men z opmaaken uit het 4de vs. Wat zal ik u e doen, 6 Ephraïm?- Wat zal [tk u doen, ór e Vuda? Dcwyl uwe weldaadigheid is als een £ morgenwolke, en als een vrocgkoomende é daalw, die heenengaat. (B) üf daar in, dat zy berustten alleen in de plegtigheeden van den uitwendigen Godtsdienst, maar by 1 dit alles zich ongehoorzaam gedroegen ]e- « eens Godt en zyn geboden, 't welk even- 1 wel van Godts zyde de voornaamfte eisch , : en van hunne zyde de groote belofte des : Verbonds was geweest. Dat mag men opmaaken uit het geene Godt verklaart ini het 6de v>. Ik hebbe lust tot weldaadigheid en niet tot offer; en tot kennisfe Godts, meer dan tot brandöjfcren. Dat zo een gedrag waarlyk zy aan te merken als een overtreeden van het Verbond, zal niemand ons duidelvker leeren, dan Godt zelf, hy Jercmia, G VII* 2* • M hebbe met uwe Vaderen , ten dage als ik ze uit Egypteland uitvoerde, niet gefprooken , noch hun gebooden van zaaken des Brand- en des Slagtofers. Maar deeze zaak hebbe ik bun gebooden, zeggende: Hoort na myne ftemme, zo zal ik u tot een Godt zyn , en gy zult my tot een Volk zyn, en wandelt in al den weg,, dien ik u gebieden zal, op dat het u wel gaa. Doch zy hebben niet gehoord, noch hunne ocre geneigd, maar gewandeld in de raad. flagen, in 'l goeddunken hunner booze harten ■ zy zyn agterwaards gekeerd, en niet voorwaards —-. Men kan het alles te faa-

V E R B O N Do

•n voegen, endenken, dat deeze hunna een uitwendige Bekeeringe, en hun wer afwyken van dezelve der Godtfpraaks leegenheid hebbe gegeeven om hun hun: overtreedinge en trouwloozen handel in les te verwyten, zo in deezen, als mede hunne zo dikwerf gepleegde Afgoderyen, it nu was eene groote en zeer ftrafwaerge misdaad; en ter verzwaaringe 'er van ordt 'er nog bygevoegd: (33) Dat zy it hadden gedaan, als Adam, («) Uit loronderftelt dan, dat Adam, de eerste ensch en aller menfchen Stamvader ook ■ftaan hebbe in een Verbondsbeirckkingc met ïodt, en dat hy ook dat Verbond hebbe lertreeden. (*«0 Zo is het ook: 'Er is »n Verbond geweest tusfchen Godt en dera ■chtgefchapen Adam, 't welk men noeme tn Verbond der Werken, waar in Godt an Hemi, zoude hy anders voor eeuwig elukkig zyn, eischte eene allenthalvige ehoorzaamheid.en tot een proeve van de;lve, dat hy niet zou eeten van den Boom 'er kennisfe des goeds en des quaads, met ene bygevoegde dreigende waarfchouwine: Ten dage, als gy daar van eet, zuid ■y den dood fterven. (/3/3) Maar Adam ieeft dit Verbond overtreeden met eene zo istvaerdige onbedachtzaamheid, en roelceooze ftoutheid, dat daar door zyne zonie, hoe ligt ook in fchyn, als flegts behande in het eeten van een verbeode vrucht„ , s geworden een allerzwaarfte zonde: Eene sonde van ongehoorzaamheid niet flegts 3 naar van trouwloosheid en Verbondlchennsk G3£) Als hier dan van Ephraïm en Juda wordt gezegd, dat zy het Verbondhadden overtreeden als Adam, zo zal het janduiden, dat zy dat hebben gedaan ira gchkheid der overtreedinge van Adam* (Rom. V: 14.) Met eene even zo ftoute roekeloosheid, willens en weetens, met veraetinnè van de dierbaare Zeegenbelotten, wefke Godt aan het onderhouden van zyn Verbond hadde vastgemaakt, en ten 1 trots van de ysfelyke vloek-bedreigingen, in gevalle van overtreedinge, waar van Godt hen hadde laaten waarfchouwen van den beginne aan door zynen Knegt Mofes,

Levit, XXVI: 14 , Deut XXVII :

15-26. Waar op zy zelven Amen hadden moeten "zeggen;. en naderhand nog van tyd tot tyd door zyne Knegten defr0J pheeten, daaglyks vroeg op zynde, zendende en zeggende: Doch waar naar zy niet gehoord hadden, even weinig als hunne Vaat? s 3

Sluiten