Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sf 1) IJ L A G E N,

TWEEDE AFDEELING.

Fan het Inwendig Beftuur.

Art. I. 'Er zal in ieder Departement 'een opperst beftuur plaats hebben , en in ieder Didriót een ondergefchikt beftuur.

II. De Befluurers bezitten geen de minfte hoedanigheden van vertegenwoordiging ; maar zijn bediendens , voor een tijd door het Volk gekozen , om, onder het toevoorzicht en het gezag van den Koning , de bewindvoerende bedieningen uitteoefenen.

III. Zij kunnen zich niet in de uitoefening van het Wetgevend gezag mengen , of de uitvoering der wetten opfchorten , noch iets ondernemen tegens de Rechtsorde , noch omtrent de fchikkingen , of militaire bewegingen.

IV. De Deduurers zijn hoofdzaaklijk gelast met de directe fchattingen omteflaan , en toevoorzicht te hebben op de penningen, uit alle de fchattingen en openbaare inkomden voordfpruitende , welken hun grondgebied opleeveren. Het komt der Wetgevende Macht toe, de inrichting en de wijze hunner bediening te bepaalen, zo ten opzichte van de zaaken hier boven uitgedrukt , als omtrent alle de andere gedeeltens van het inwendig beduur.

V. De Koning bezit het recht, om de befluiten van de bewindvoerers der Departementen te vernietigen , wanneer die met de wetten of met de bevélen , die hij aan hun zal gezonden hebben , mogten drijden , en kan , iu geval van eene hardnekkige ongehoorzaamheid,

of

Sluiten