is toegevoegd aan je favorieten.

Nieuw geschenk voor de jeugd.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

v»f4

E Z O P ¥ S.

3£zopus , eens op reis, in *t langfte van de dage» , Ontmoette een man , dees zei hem mag ik vragen y Hoe lang, mijn vriend, moet ik noch gaan, Om aan dat fteedeken te komen, Haar ginder ver, vooibij die hooge hoornen ? '* Ga fprak Ezoop. — De vreemdeling keek hem aan, En zei , ik weet zeerwel dat ik zal moeten gaan, Indien ik verder heen zal komen. Ik vraag u, hoeveel tijd mij noch wel noodig is. Nu ga dan , fprak Ezoop — Gewis, Dus bromt de vreemde zou ik vreezen, Dat. deze kerel dol moet wezen. J Hij keert zich om en gaat al brommend voord,

Heil roept Ezopus , Heil een woord! Gij kunt er in twee uren wezen.

De wandlaar blijft verwonderd ftaan, En vraagt, hoe weet gij nu , boe lang ik noek

moet gaan. En hoe , verzet Ezoop , kon ik u zeggen , In hoeveel tijds gij 't derwaards af kont leggen , Voor [dat ik u eerit had zien -gaan."

CM