Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De aloude

ïana3ni-

ven, enz.

188 GODSDIENSTIGE

Kinderen Israëls door dezelve trokken: want wij leezen, dat'deezen bij ba al-ze phon kwamen, op den derden dag naadat zij Egypte hadden verhaten.

Wegens deezen Afgod hebben de Joodfehe Rabbynen eene Overlevering, niet onwaardig om hier te worden opgetekend. Zij vernaaien dat ten tijde als de Verderfengel door Egypte trok, alle de Afgoden des lands, behalven deezen , verdelgd wierden ; dit deedt den Egyptenaaren een hoog denkbeeld wegens deszelfs vermogen opvatten, en in grooten getale zamenfchoolen om hem te dienen. Zo ras mozes bemerkte dat de Egyptenaars in groote menigte derwaarts ftreelden, verzogt hij pharao verlof, om te gader met zijne Landgenooten de Israëliten insgelijks eenen keer daar heen te mogen doen. Dit verzoek wierdt hem ingewilligd; doch terwijl de Israëliten, aan den oever der RoodeZee, bezig waren met het verzamelen der kostbaare gefteenten, welke te gelijk met het water uit de rivier Pi Jon in de Gihon gefpoeld waren, en vandaar, vervolgens, na de Roode Zee gevoerd, op het drooge geworpen wierden, overrompelde pharao hen aldaar. Dewijl hij, egter, den aanval op de Israëliten tot den volgenden dag uitftelde , en midlerwijl aan baal-zephon offerde, trokken zij over de Roode Zee, en ontkwamen aldus zijne magt.

Deeze overlevering kan ten bewijze dienen,welke kinderagtige denkbeelden de Joodfehe Rabbynen hunnen Geloofsgenoot en zogten in te prenten; die, egter,van de Meden.

daag-

Sluiten