Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5IÖ beschrijving eener reize

wij geen oogenblik onze hand op dezelvde plek korfden laten, zonder ons te branden. Ik legde mij een weinig ter neder, om mij te verwarmen, maar, hoe verftijvd ik ook van de koude was, zo dreef mij' toch de brandende hitte voort, en ik ijlde zo fnel als mogelijk over den gloeiend heeten grond heen, en bereikte den top van den berg, of den rand van den Crater. Ddar hoorde ik uw donderend brullen, o Aetna! fterkcr, dan op den gantfehen vorigen weg! daar hoorde ik het fchrikkelijk gekraak der zich oplosfende Itolfen onder mij, en zag, hoe na ieder hevig gekraak zwarte rookzuilen zich jaagden, om fneller hervoort te dringen , waar op dan de wind, zo dra zij den bovenften omtrek van den Crater bereikt hadden, met eene onverbiddelijke woede aanviel, en ze in de lucht verftrooide. De gewaarwordingen, die ik had, toen ik hier, boven den aardbodem verheven, aan de vuurbron ftond, kan ik u niet beter befchrijven, dan met deze verfen van virgilius (d):

• mihi frigidus horror

Me?nbra quatït, gelidusque coit formidine fanguis.

Zo lang ik kon, hield ik mij aan den rand van den Crater op, doch wind, nevel, en zwaveldamp maakten het mij onmogelijk, daar lang te vertoeven. Tot mijn' grootften fpijt belemmerde de dikke nevel, met zwarte rookzuilen, mijn gezicht, zo dat ik, van den bovenften bergtop af, den wijden omtrek van tweeduizend mijlen, niet overzien, noch de kusten van Africa ontdekken kon. Ondertusfchen verdeelde toch meni"gunftige wind nevel en damp, zo dat ik ten minften van den Crater een bepaald denkbeeld kreeg. Het is zeer oneigenlijk, wanneer men dc kroon van den Aetna (zo noemt men gewoonlijk die bergen, die den Crater omringen) bicorne of tyechoornig heet. Zo fchijnt het wel, wanneer men den berg van verre befchouwt; maar eigenlijk omringen den Crater drie bergen, en men zou hem dus rigtiger tricornt, driehoornig noemen. Deze bergen liggen zeer regelmatig, en vormen bijna een' gelijkzijdigen driehoek. Juist van derzelver regelmatige ligging komt het, dat men bijna uit alle

ftand.

(d) Jeneid. III, 30.

Sluiten