Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

522 het offer.

naema.

Vergeef mij, ik omftrengde dezen klimopkrans, met Viooltjens, om daar me <e in dit Woud. dat ik federt mijne terugkomst van Kreta niet bezogt hebbe, een Offer te brengen.

melartes.

Wel zoo', een Offer! Maar wanneer gij dadelijk van eene Hemelfche Godheid fpreekt, zo weet ik niet, aan welke gij het brengen wilt. Met mijn weten, is 'er in dit dichtbewasfen Woud geen altaar te vinden.

, f naema.

t Kan zijn melartes, dat u en den meesten onzer medeburgeren het altaar, waar heen ik mij haaste, niet bekend is, want deze woeste flruiken fchijnen zich voor de menfehen nooit geopend te hebben , en 'k zie nergens een voetpad, dat zich ten wegwijzer aanbiedt.

melartes.

Maar voor wat Godheid is hier een altaar gefticht?

naema.

In de dichtfte flruiken van dit Woud is een klein dal, dat begroeid is met woeste rozenftruiken , over welke hooge buomen lommer en koelte verfpreiden. Naauwliiks dringen de (tralen der Zon 'er door henen, wam,eer zij loodrecht boven ons hoofd Haat, en van de klippen rui-cht eene beek naar beneden. Hier nestelt geen vogel , en geen ander geluid bereikt hier het menschlijk oor dan het fommen der eenzame Woudhommels, die onder de rots in den grond hunne kleine cellen hebben aangelegd. Hier (Iaat nog de voet van eenen altaar, waar onze vaders in plegtige flilte de Godin der zedigheid offerden: maar hunne ontaarte kinderen weten van de?en dienst niets. Ach! reeds lang hééft men denzelven afgefchaft.

mf.lartes.

Gij zijt geheel verrukt, naema ! Ja ik herinner mij, dat mi;n vaders vader mij van dezen dienst gefproken heeft. Maar hij is met recht in verval gekomen, wart men zegt, dat geen menfehen ooit over eene Godheid zoo zeer geklaagd hebben , als over deze.

naema.

Hoe weet gij dat? Kan het onze medeburgers tot lof wezen, dat zij ophielen met het vereeren van deze godinne ?

me-

Sluiten