Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MËN'GELSTUK KEN.

onderzoek, omtrent den WAAREN ZIN EN MENlNGE VAN dochter, EN des konings dochter, VAN welke gesproken wordt,

Ik zal mij niet inlateni om te betogen, dat in dezen Pf. van den Mesfias jesus christus en deszelfs geestelijke kerkbruid, of vrouw, gefproken wordt, en dat deze de eigenlijke onderwerpen zijn,op welken in dezen Pf. gedoeld wordt en van welken dezelve moeten verdaan worden, mijns oordeels, is dat van geleerde uitleggers, met zulke krachtige redenen, en bewijzen, aangedrongen, en geftaafd, dat men daar in moet berusten indien men anders niet wil ontkennen , dat er ergens recht uit en onmiddelijk, in de Heilige Schrift van den Mesfias, jesus christus gefproken, en gepropheteerd wordt; dit zoo zijnde, is 't echtef niet te ontkennen, dat hier, indien niet overal, echter doorgaans, eene letterlijke toefpelinge plaats heeft, en dus is 't verders- bedenkelijk, van welke perfoon en gelegenheid, de Dichter zijne woorden ontleend heefr, cn waar op Hij de letterlijke toefpelinge mag maken. j

Daar zijn voorname Geleerden , dewelke willen ,/3at in dezen Pfalm , wat de letterlijke fpreekwijzen belarfgt, gezien wordt, op den Koning david , en zijn huwelijk 't zij met michal , de Dochter van Koning saul, 't zij met maüciia, de Dochter van thalmai, Koning te Gezur; 't is zoo, dat verfchcidene dingen in deze Pfalm op david kunnen toegepast worden, gelijk bij den lieer schutte , in zijne geestlijke gezangen , en bij den Geleerden vr ie moet , in zijne Dict. Clasf. kan gezien worden.

't Kamc mij echter zoo voor, dat de gemelde huwlijken van david niet zeer vermaard geweest zijn, en derhalven minder bekwaam , en gefchikt om hier van de aanleidinge te nemen, ook fchijnt 't mij toe, dat hier van dezen Koning, en zfne Vrouw, eene groter

V.deel. mengelst. no. i. A - prachS

Psalm XLV. vs. 11 en 14.

Sluiten