Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRIEF AAN CLEMENS OVER DEN TOEK„ STAAT. 151

eer wij tot onze krachten komen, en hóe veel langer, eer wij eenige behoorlijke graad van kennis bekomen; en dat ?er zoo veel zorge zoude nodig zijn, zoo veel hulp om ons tot dien ftaat te brengen ; en dan na dat wij Onnoemlijke gevaaren zijn te boven gekomen , om zoo ver gebragt te worden, wij maar een zeer korten tijd hebben zouden, om de vruchten van onze eigene zorge en die van andere te genieten, en evenwel geduurig blootgefteld aan nieuwe geyaaren om weggerukt te worden, voor dat wij gekomen zijn tot dien eindpaal, welke wij zeker weeten niet te zullen voorbij treden. Dit alles moet in waarheid vreemd voorkomen, indien 'er geene redelijke eeuwigheid was. In zulk geval ook konden wij geen behoorlijke denkbeelden vau het aanzijn en Natuur van een Opperwezen hebben,

Maar al hadden wij hier een langer en zekerder be* ftaan, echter blijft de vraag nog, waarom wierden wij tot imerte geboren ? waarom reikhalzen en verlangen wij naar geluk, terwijl wij echter altijd onderworpen blijven aan fmen en ellenden? Wat beduid al die rampfpoed, en droefheid, waar aan 's menfehen kinderen onderworpen zijn? indien wij in dit leven alleen hoop hebben, indien 'er geen belooning, geen ftraf hier na te wagten is, zeg mij dan , waarom zijn wij in deze wereld zoo flegt bedeeld? Indien 'er geen voortiitzigt tot een toekomende erfFenis was, moest dan ons Eteel niet beter zijn dan het nu is, zo wij ten minde ftellen, dat 'er een almagtig en rechtvaardig Wezen is, het welk dit ondermaanfehe beftuurt? Indien 'er geen leven na dit leven was, zouden de weinige dagen, die wij te leeven hebben, onder zijn beduur verlopen, zonder moeiten zonder zorg. Terwijl wij leeven, zouden wij vergenoegd zijn met het goede dat ons gegeeven wordt. Dit mogt men van elkander wagten. Dit is de befchikking in alle andere deelen der Natuur,

Geene andere wezens die ons onder het oog vallen, huiten den mensch zijn aan moeilijkheid en zorg onder-, worpen , ten minden hij is het eenig wezen dat zijn ellende bezeft, en kan betreuren. Wat fmert en pijn wij ook mogen verönderdellen, dat het gedierte, dat omkomt, gevoelt, het is alleen voor 't tegenwoordige: zij hebben geen aandenken aan 't geen voorbij is; noch vrees voor het toekomende; en moesten wij derven, gelijk zij, waarom zoudeouze dand in dat geval niet gelijk aan den bunnen ?ijq s Daar moet zeker eene tadkomende bedeeK 4 ling

Sluiten