Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reize van den jongen anacharsis. 523

keurigheid van earthelem ij behandeld, en gegrond, tot de minste bijzonderheid toe, op de berichten, die ons bij de Ouden zijn overgebleven. Na het geene wij van de voorige Deelen van dit fchoon Werk gezegd hebben, blijft ons thands alleen over, eenige brokken van hetzelve, tot ftaalen uit te fchrijven, waar toe wij hier eenen rijken voorraad van gefchikte onderwerpen voorhanden vinden. Eenig bericht van het Orakel te Delphi zal veelen van onze Lezers niet onaangenaam wezen. Zie hier het wedervaren van anacharsis:

,, Den volgenden dag , gingen wij tempelwaards. Wij gaven onze vragen fchriftelijk op, en verwachtten de uitfpraak van het lot, zoo dra wij flechts de Pijthifche Priesteres konden naderen. Naauwüjks hier van onderrecht, zagen wij haar den tempel doorkomen, verzeld van eenige Profeten, Dichters en Heiligen , die met haar het Heiligdom intraden. Treurig en neerflagtig fcheen zij, als een offer, naar het altaar geleid te worden. Zij kaaude laurier en wierp in het voorbijgaan eenige bladeren, met gerften meel gemengd, in het heilige vuur. Haar kruin was bekransd, en om haar voorhoofd was een band."

,, Welëer had men één Pijthifche Priesteres. Naderhand (telde men 'er drie aan, en men bepaalde haaren ouderdom boven de 50 jaaren. Zij nemen op haare beurt den dienst waar. Men verkiest ze, uit de inwooners van Delphi, en wel uit den allerlaagften rang. Ze zijn verplicht zich eenvouwig te kleeden, mogen zich nimmer met eenig reukwerk zalven, en moeten haaredagen in Godsdienstige bezigheden flijten. "

,, Een der Priesters nam onze voorbereiding op zich. Na dat het wijwater ons gezuiverd had, offerden wij eenen dier en eene geit. Zou dit offer den Goden aangenaam zijn, dan moest de (tier zonder dralen het meel eeten, en de geit eenige oogenbiikken daan trillen, na dat men haar met koud water begoten had. De goede uitflag de zuiverheid onzer oogmerken gerechtvaardigd hebbende, gingen wij den tempel weder in, met een lauwerkrans om het hoofd, en een tak, met een zwachtel van witte wol omflingerd, in de hand. Met dit teeken naderen de aanbidders de altaren. — De Priester geleidde ons naar het heiligdom , zeker dag van een diep hol, wiens wanden met verfcheidene offerhanden verlierd zijn. In het midden van dit hol is een onder-

aardsch

Sluiten