is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaderlandsch woordenboek; oorspronklyk verzameld door Jacobus Kok, Twee-en-twintigste(-negen-en-twintigste) deel. K-M (-V).

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

314 SONOI. (DIDERIK)

buiten de Woordpoort verfcheiden Huizen en Wooningen afge> brand. Om hem dit betaald te zetten, en Amjlerdam te be«aauwen, deedt sonoi den Waterlandfchen Dijk, tegenover den Stad gelegen, bezetten, de Zaandammer Sluizen, Nieu. vendam en eenige andere Dorpen befchanzen. Men zogt hem dit, van de andere zijde, door middel van eenige groote en Jdeine Schepen, te beletten. Doch sonoi, uit de Steden Hoorn , Edam en Monnikendam etlijke Galeien hebbende bij een gebragt, noodzaakte dezelven, van hun voorneemen af te zien, en hem ongemoeid zijn werk te Iaaten voortzetten. Hier door rees den Stadhouder en den Noordholianderen de moed zo hoog, dat zij hunne gedagten lieten gaan over het vermeesteren der Zuiderzee , en eenige Schepen en Galeien uitrustten, met oogmerk om de Amflerdamtners van den voordeeligen Oosterfchen handel en fcheepvaart te verlleeken.

Ondanks deezen voorfpoed, mishaagde den Staaten, inzommige opzigten, het gedrag van sonoi, voornaamelijk, naar het fchijnt, met opzigt tot de maatregelen, welke hij, in het voeren van den Oorlog, volgde. Althans vonden zij geraa. den, in de maand O&ober des meer gemelden jaars, Jonkheer jan van vliet en reinier kant na het Noorderkwartier te «enden, om, nevens den Stadhouder, het bewind der zaaken van Oorlog, in dien oord, in handen te hebben.

De Stad Haarlem, omtrent deezen tijd, door den Spanjaard, jammerlijk benaauwd, vorderde hulp van allen, welke, in deezen oord, 'er eenige konden toebrengen. Om den vijand afbreuk te doen, en den toevoer te beletten , hadt sonoi den raad gegeeven, om op Half wegen tusfchen de gonoemde Stad en Amfterdam, bij. het Huis ter Hart, een gat in den Haarlemmerdijk te graaven, en voorts te befchanzen. Gewisfelijk ware dit zo veel geweest, als den vijand op een Eiland zetten. Doch de Prins vondt dien voorflag niet geraaden, onder andere, om dat hij geen nut konde aanbrengen, zo men geen meester te water ware. Daarentegen zondt zijne Doorluchtigheid, in de maand Maart des jaars J573, bevel aan zijnen Stadhouder, om zich te verfchanzen <op den Diemerdijk, te Jaaphannes, eene geweezene Buurt, «r plaacze alwaar thans het Gemeene- Landshuis van, gemelden