Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KABELEN EN VERTELZELS.

DE P A A U W.

D e Paauw, hoogmoedig op haar fchoongeverwde veeren,

Hoorde, in een' Zomermorgenftond,

Het Nagtegaaltje kwinkeleren. De trotfche Vogel, die den toon betoovrend vond ,

Verleende 't oor met lust, en lang,

Aan dat bekoorlyk woudgezang ;> En riep in 't eind verrukt; wat is dat heerlyk zingen !

Waarom, ó Moeder aller dingen,

Natuur! by mynen fchoonen ftaarc

Dit groote voordeel niet gepaard ? Dan zoude ik op gedaante en kunst my zelf verheffen ,

En alle Vogels overtreffen.

Natuur had deze vraag gehoord , En werd een weinig boos :'k zal, fprak ze, u antwoord fchen-

(ken:

Gy moet byzonder weinig denken. De Nagtegaal heeft niets, dat 's menfehen oog bekoort. Zy ziet uw fchoonheid aan, en zal die nooitbenyden,

Maar zich in 't geen zy heeft verblyden. Doe ook zoo, en wees wys: gaa wel te vreden heen.

'k Schenk al myn gunnen nooit aan één. *k Voldoe nooit ieders wensch: want anders mogt ik vrezen, Dat myn gedurig werk vernieuwing ftond te wezen.

Elk zy dan met het lot vernoegd, Dat hem, door 's Hemels gunst, op aarde is toegevoegd.

DE

Sluiten