Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 27 )

Het deinzende verfehict fmelt in de donkre wolken ;

De dikke dampkring liegt zich aan den lagen grond; De onmeetbre hoogte zinkt in de allerdi'epfle kolken ;

't Slaapt al wat leven heeft op 't halve wareldrond. o Nacht! — o Beeld des doods! waar voert gij mijn gedachten?

Uw (lilte — uw fomberheid — ontroert mijn' vlotten geest; En trilling grijpt mij aan: waar drijven mij uw fchachten?

Of maalt gij voor mijn brein wat voormaals is geweest? 't Gaat wel, mijn Kunst! zrcn wij de vroegere eeuwenkringen?

Och! wie flemt nu den toon, dien ge op uw fnaren dwingt? — Vloeit welig welig voort mijn dichtbefpiegelingcu!

Het is de morgenftond des tijds die mij omringt, o Wondervolle gloed ! dan , 'k voel mij overromplen ;

De glans verflaauwt en fraoort, — ik zink — en ach! — waarheen? Zie ik mij in den nacht der eeuwigheden domplen?

Der eeuwigheden eer één ftofje uit niet verfchcen?

Maar neen! 'k bekom', en mag het eerftc tijdftïp nadre»,

Den wenk de wording van het uitgebreid Heelal;

Sluiten