Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A a w. 55

Bedriivend , terwijl het voorz. aan den zin verfterkt: dc hand aan iets houden — fchelmen aanhouden, ophouden, verbergen — verbodene goederen aanhouden, in bellag nemen — zijnen rok aanhouden, aan het lijf houden.

Onzijdig, met hebben, voor volharden, voordduren, aandringen, in welke beteekenis het voorz. aan eene beweging in eene plaats aanduidt: de regen heeft den ganfchen nacht aangehouden — ik zal zoo lang aanhouc.en, als ik kan — zij houden fterk bi] mij aan om die zaak. Voor aangehouden worden: de fchuit zal hier aanhouden, aanleggen. _ ,

AANHOUDER., z. n., m. , des aanhouders, of van den aanhouder; meerv. aanhouders. Van aanhouden. Zie er.

AANHOUDING, z. n., v., der, of van de aanhouding ; meerv. aanhoudingen. Van aanhouden. Zie ing,

AANHOUDSTER, z. n., v., der, ofvan deaanhoud/ter; meerv. aanhoudfters. Van aanhouden. Zie fter.

AANHUILEN, bedr. w., gelijkvl. Van hét fcheidb. voorz. aan, (naar, tot) en huilen: ik huilde aan, heb aange-

AANHUWEN, bedr. w., gelijkvl. Van het fcheidb. voorz. aan, dat hier eene zamenkoppeling en vereeniging aanduidt, en huwen: ik huuwde aan, heb aangehuuwd.

AANJAGEN, bedr. en onz. w., ongelijkvl. Van het fcheidb. voorz. aan, (naar, tot) en jagen: ik joeg aan, heb aangejaagd . ,

Bedrijvend: de koeijen aanjagen, aandrijven — iemand eenen fchrik aanjagen. .

Onzijdig, met hebben, voor fterk aanrijden: htj heeft hard aangejaagd. „T , .„

AANJUICHEN, bedr. w., gelijkvl. Van het fcheidb. voorz. aan, (naar, totj en juichen: ik juichte aan, heb aangejuicht. Voor dit aanjuichen verkiest het gemeene gebruik toejuichen. '

AANKANTEN , wederk. w., gelijkvl., zich aankanten. Van het fcheidb. voorz. aan, (naar, tot, tegen) en kanten , kantig maken: ik kantte mij aan, heb mij aangekant. Zich tegen iets aankanten is dan zoo veel, als zich tegen den kant, of de zijde, van iets ftcllcn, zich tegen iets verzetten. Ik zal mij , zoo veel ik kan , tegen hem aankanten. , .,,

AANKIJKEN, bedr. w., ongelijkvl. Van het fchculb. voorz. aan, (naar, tot) en kijken: ik keek aan, heb aansteken. c4 AAN-

Sluiten