is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

77+ L o o.

eene beweging uit, fneller dan men gewoon is : loop'niet voor men u jage. Hij liep uit al zijne rnagt. Zich in het zweet kopen. Zich te bcrften kopen. Zich buiten den adem loopen. De dief is in huis geloopen. Ik heb reeds een uur geloopen. Met den kop tegen den muur kopen. Zt) hepen fiorm. Ten ftorm loopen. Onek., dikwijls met verachtinsj ledig hopen. Uil hopt op het dorp bedelen. Hij loopt in de hoerhuizen. Van plaats veranderen, zoo fchielijk men kan , in eenen v-rachtelijken zin : hij ging hopen, toen hij den vijand zag. Uit den dienst loopen. Laat hem hopen. Hij hopt in zijn verderf. Plat loopen, niet ter fchool komen ; in Gelderland, Men gebruikt het ook van de fnellere beweging van levenlooze dingen: het fchip liep in de haven. De vloot liep om den noord. Het fchip liep achterom. Het zeil laten hopen, het zeil ftrijken. De zon fchijnt om de aarde te loopen. De melk loopt te zamen. De ijsfel hopt in de Zuiderzee. Het zweet liep mi) in den mond. Mijn regteroog loost, het traant. De tranen liepen mij over de wangen. Het water is door de goot geloopen. De goot heeft geloopen. (Zie Inl. bl. 145). Het fchip liep vol water. In dit hopende jaar. Loopend fchrift. Er loopt een gerucht. In vele gevallen verliest men het denkbeeld van beweging: mijn dwaalweg hope woestijnen door. A. Kxein.'° Die zaak begint in het oog te loopen. Het loopt te hoog, dat is te dier. Die zaak loopt wonderlijk. Gij zult gevaar loopen. Van hier looping.

Loopen, Ker. laujfan, Oïfr. lavfan, Willer. hfen, louphan, hoogd. laufen, nederf.loopen, ijsl hleipa, deen. hbe zw. Idpa. Het beteekent, in het gemeen, eene fnelle beweging; van hier, dat danfen, fpriniren bij Ulphiu hlaupan heet, angelf. hleapan, eng. to kap.. Hesych. verklaart ^xuSó^siu door zich haasten. LOOPER, z. n., m., des kopers, of van den koper; meerv. kopers. Iemand , die zijne gewoonte van locpen maakt: hij is een goed koper. Loopende bode; ik heb eenen koper afgezonden. Een wedlooper: de kopers waren reeds in de renbaan. Een zwerver: wacht u voor die loopers. Jagers noemen de pooten van eenen haas kopers; molenaars den bovenften molenfteen koper; fchippers dus een takeltouw, waarmede men goederen uit-en inbijscht; fchilders met dienzelfden naam hunnen wrijffteen. Een zanduurglas: keer den looper om. Een ge-.

niee->