is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M E.

73

nen in de beenderen van mensch en dier: het merg uit een been zuigen. Hij heeft merg in de pijpen, hij is tterk. Het beste, bet edellre van iets: om zich'met het merg der gemeente te mesten. Hooft. Het merg uit een boek halen. Het merg der Godgeleerdheid. Van hier mergachtig. Zamenftell.: mergbeen, mergpijp. Voor merg vindt men, bij de Ouden, ook murg, en nog zeggen wij ook murgpijp , murgtrekker enz.

Merg, hoogd. marck, eng. marraw, deen. marfven. Het ontftaat, misfehien, uit eene bron, met ons woord murw.

MERGEL, z. n., m., des mer gels, of van den mergel;

. zonder meerv. Zekere foort van vette aarde, waarmede de landen gemest worden: witte — roode mergel. In het lat. marga. Pieters. verkiest het onz. gedacht. De vorm des woords pleit meer voor het manl. De Hoogd. zegt ook der mergel. Van hier mergelachtig. Zamenftell.: mergelkuil.

MERGELEN, zie uitmergelen.

MERGEN, bedr. w., gelijkvl. Ikmergde, heb gemergd. Van merg (medulla), in zamenftelling gebruikelijk. Zie uitmergen.

MERGEN , zie morgen.

MERIDIAAN, z. n., m., des meridiaans, of van den meridiaan; meerv. meridianen. Ond. woord, van het lat. mei idianus, middagslijn , eene denkbeeldige lijn, om de graden der lengte te vinden: den eerflen meridiaan trekkende. IIamelsv. Het verfchil des eerflen meridiaans. Bachiene. MERK., z, n., o., des merks, of van het merk; meerv. merken. Hetzelfde als mark. Een kenteeken, hetwelk men op of bij eene zaak maakt, fchrijft, fnijdt enz., om dezelve daaraan te kennen: ik heb mijn merk op de wolbaaigezet. Een' roede, onderfcheiden met eenige merken. Hooft. Brieven van merke, (lettres de marqué) bij Hooft , geteekende magtbrieven van fchaverhaal op den vijand. Figurelijk, een duidelijk bewijs: dat z' al, wat aard bewoont, het merk eens Scheppers toont. Psalmb. V Rechte merk der kunst. J. de Haks. Zamenltell.: merkijzer, merkpaal, merkregel, merkfieen, merkflok, merkteeken, merkwaardig, -i— Brandmerk, oogmerk, fcheidmerk, enz. Zie mark. MERKELIJK, bijv. naamw. en bijw., merkelijker, merE 5 ke-