is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tif M i*

bezigt het ook onfeheidb.: met enge en dwersloopende weeghen en mhrooide (enormibus) wijken.

MIS RUK KEN, onz. w., gelijkvl. Van het fcheidb. voorz. mis en rukken: ik rukte mis, heb nisgerukt. Verkeerd rukken. Ook wordt het onfeheidb. en bedr. gebezigd; door rukken, verrukken, mismakeu: verwoest, verblindt, misruckt, Rodenb.

MISSCHAPEN, zie misfeheppen.

MiSSGHATTEN, bedr. w., gelijkvl. Van het fcheidb. voorz. mtmjchatten: ik fchatte mis, heb misgefchat. Niet wel khatten, beneden de waarde fehatten

M1SSCHEPPEN, bedr. w., ongelijkvl. Van het onfeheidb. voorz. mis en feheppen: ik misfehiep, heb misfchapen. Eene wangeftalte geven, misvormen: juno misjchept haer in een boerinne. Vond. Ontftellen: Sicilië misfehept de lucht. Vond. Van hier misfehapen, wankbapen, misfehaptnheid, misfchepfel.

MISSCHEPPEN, onz. w., gelijkvl. Van het fcheidb. voorz. mis en feheppen: ik fchepte mis, heb misgefchept. Verkeerd lcheppen.

MISSCHIEDEN, onz. w., gelijkvl. Van het onfeheidb. voorz. mts en het verouderde fchleden: het misfehiedde is misfehied. Kwalijk, ongelukkig uitvallen. Hooft gebruikt het deels voor met onheil aangedaan, beleedigd Worden, leed gefchieden: zoo zal aan niemand mis fchleden. Deels voor kwalijk gedaan worden: dat er niet misfehiedt was met den Prins i" henwaarts te roepen. Het woord is reeds buiten gebruik.

MISSCHIEN, een bijwoord van twijfeling, beteekenende mogelijk: gij ftaet misfchien te denken. Poot. Misfchien zal hij mijnen raad opvolgen. Hij is misfchien reeds overleden. Men gebruikt het ook als een zeifft. naamw. van het onzijd. geflacht: dat fteunt op een louter misfchien. Wij hopen op V misfchien den florm niet afte* wachten. Vond.. De Ouden fch'reven eerst machfehien, magfchlen; waaruit blijkt, dat dit woord verkort is ' uit het mag gefchieden: dat wi machfehien niet en pierven. Byb. 1477.

MISSCHIETEN, bedr. w., ongelijkvl, Van het fcheidb. voorz. misenfehieten: ik fchoot mis, heb misgefchoten. In het fchieten het doel misfen.

MISSCHIKKEN, bedr. w., gelijkvl. Van het onfeheidb. voorz. mis en fchikken : ik misfehikte, heb misfehikt In

f wan-