is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«4

M T.

meent ghij, dat de medecijnmeesters beuzelen en misflaen% Rodenb. Zich verfpreken: hij flaat dikwijls mis in zij* ne rede. Den toon kwalijk vatten: de zanger floeg, in het begin, reeds mis. De vogel flaat mis.

MISSLAG, z. n., m., des misflags, of van den misflag; meerv. misflagen. Eenflag, die mist. Fig., eene feil, dwaling: eenen onvergeeflijken misflag begaan. Die den misflagh niet doen zouden. Hooft.

MISSMIJÏEN, bedr. w., ongelijkvl. Van het fcheidb. voorz. mis en [mijten: ik [meet mis, heb misgejmeten. Het bedoelde voorwerp, waarnaar men fmijt, niet raken. Ook in het dobbelfpel: hij meende drie zes[en te hebben , maar hij [meet mis; waar het onz. voorkomt.

MISSPREKEN, onz. w., ongelijkvl. Van het fcheidb. en onfeheidb. voorz. mistri [preken. Scheidb: ik [prak tuis, heb misgejproken; kwalijk fpreken. Onfeheidb. en wederkeerig: ik misjprak mij, heb mij mis/proken. Zich misfpreken. Hij misjprak zich in die zaak geweldig , hij verfprak zich leélijk.

MISSPRINGEN, onz. w., ongelijkvl. Van het fcheidb. voorz. mis en fpringen: ik [prong mis, heb misgefprongen. In het fpringen misfen: de kat tuurde op de muis, maar [prong mis.

MISSTAAN, onz. w., onregelra. Van het onfeheidb. voorz. mis en [laan: het misflond, heeft misflaan. Kwalijk zitten: dat kleed misftaat hem. Fig., niet wel betamen: eenen man van die waardigheid misftaat onge* zoutene boert

MISSTAL, z. n., m., des misftals , of van den misftal; meerv. misftallen. Gebrek. Van hier misftallig, en, van een verouderd woord misftalte, misftaltig. Het laarfte is meest in gebruik.

MISSTAND, z. n., m., des misflands, of van den mis* ftand; zonder meerv. Wanvoegelijkheid : dat is een groote misftand aan dat huis.

MISSTAP, z. n., m., desmisflaps, of van den misfiap; meerv. mis/lappen. Eigenlijk, een verkeerde ftap; figu« relijk, eene kleine misdaad.

MISSTAPPEN, onz. w., gelijkvl. Van het fcheidb. voorz. mis en flappen: ik flapte mis, heb mis geflapt. In het flappen misfen, den flap niet goed doen.

MISSTEKEN, bedr. en ouz. w., ongelijkvl. Van hetfeheidb.

voorz.