Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3$4 O m.

OMHENÖELEN, onz. wL gelijkvl. 'Van het fcheidb.' en onfcheidb. voorz. om en hengelen. Seheidb.: ik hengelde bm, heb omgehengeld. Al leunende op zijne wieken omzwieren i de mug, die om de vlam hengelde enz. Onfcheidb. ik omhengelde, heb omhengeld. Rondom hengelen: daer duizend eng'len mijn troon omhengVen. , De Déck. ö OMHER, een voorzetfel bij werkwoorden geplaatst dienende ter verfterking van het enkele voorzetfel om ,' als: omhertrekken, omherzwdaijen, beide bij Hooft • omherzien, bij Vond. Dit voorzetfel is altijd fcheid'baar: ik trok omher, ik heb omhergetrokken. Zoo zegt OuUaan: daar uw naam, omhergevoert óp vlerken van de faam.

OMHINKEN, onz. w., ongelijkvl. Van het fcheidb. voorz. omen hinken: ik honk ori, heb en ben omgehonken; meest, thans gelijkvl.: hinkte om, omgehinkt. Hinkend omhuppelen: ik heb in de kamer omgehinkt. Maar: ik ben om den kring omgehinkt.

OMHlPPEN, omhippelen, onz. w., gelijkvl. Van het fcheidb. voorz. om en hippen, hippelen: ik hipte, hippelde om, hèb en ben omgehipt, omgehippeld. Hippend , hippelend omfpringen. Men gebruikt ook omhuppelen; doch dan is er meert een denkbeeld v«an vreugde bij verzeld.

OMHOEPELEN, onz. en bedr. w. , gelijkvl. Van het fcheidb. voorz. om en hoepelen: ik hoepelde om , heb omgehoepeld. Onz., met hebben; met eenen hoepel omloopen en fpelen. Bedr., door hoepelen iets omltooten.

OMHOEPEN, bedr. w., gelijkvl. Van het fcheidb. voorz. om en hoepen , dat buiten zamenft. niet voorkomt: ik hoepte cm, heb omgehoept. Eenen 'hoepel of hoep om iets leggen. Huygkns gebruikt het van het dragen van eenen hoepelrok: een' omgehoeptepack, trots eenigh keernètt vat.

OMHOOREN, bedr. w., gelijkvl. Van het fcheidb. voorz. om en hooren: ik hoorde om, heb omgeboord. Doorhooren hier en daar vernemen, onderzoeken: naar eene meid omhooren.

OM HOUDEN, bedr. w., ongelijkvl. Van het fcheidb. voorz. om en houden: ik hield om,'heb omgehouden. Een wijd kleed niet afleggen: ik heb den mantel omgehouden.

OM-

Sluiten