Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Soa S c h44

Bjjb, 1477. Van hier fckamelheid', voor de fchaaüt» deelen: hij fdl fijn'ftamelhe.it bedecken met Unen bro* ken. Bijb. 1477. Ook eerbaarheid: fcamelheit en goe.defiede.^ Doctrin. Alle fchamelheit der maachden. Clar. Spieg. Zamenftell: onfchamcl, dat echter niet veel in gebruik is: voor die onficamele oogen. Clar. Spieg.

SCHAMEN, wederk,. w., gelijkvl. Ik fchdamde mij, heb mij gefchaamd. Schaamte gewaarworden, befchaamd en verlegen worden : Ik bemerkte mijnen misflag en fichaamde mij. Ende fij waren beide naeckt, encle fij en fchaemden haar niet. Bijbelv. Zich voor iemand fchamen , verdriet gevoelen, verlegen worden ,

. daarover, dat hij onze-omftandigheid ontdekt heeft, ofi zal ontdekken. Zich voor zichzelven fchamen. Foei, fchaam 11 in uw hart! in het gemeene leven. In eene üirgeftrëktere beteekenis wordt het ook voor fchuwen, Ontwijken gebezigd: J'chaam u niet de zaak te bekennen. Wanneer de zaak, waarover men zich fchaamt, door een zelfftandig naamwoord uitgedrukt wordt,

■ ftaat hetzelve ook wel in den tweeden naamval: fchaemt u niet der getuigenisfe onfes Heeren. Bijbelv. Ik moet mij uwer fchamen, anders over u.

Reeds bij OttfriD. en Willekam. fchamen, in het angelf. fecaman, bij Ulphil. f karna, zweed fkdmmas. Van fchaam , fchaamte.

SCHAMP, z. n., m., des fchamps, oïvan denfchamp; zonder meerv. Eigenlijk een zijdelings uitgeweken houw, of fnede, van een mes, bijl, bijtel, of iets diergelijks, van fchampen, affchampen. Van daar, bij overdragt, zijdelingfche aantijging, verachting, nog overig in fchampfchoot, fchampfcheut, een fchoot, die niet geheel treft: hij kreeg een fchampfchoot aan den arm, overdragt., eene zijdelingfche aantijging, berisping: iemand eeti' fchampfcheut geven. Schamp ïchïjnt dus genoegzaam hetzelfde te zijn als fchimp, en fchampen als fchimpen.

SCHAMPEN, onz. w., gelijkvl., met het hulpw.zijn', fchampte, is gefchampt. Eigenlijk even raken en afglippen: de bijl fchampte; doch in dezen zin bezigt men meestal affchampen, uitfehampen. camph.zegt: zijn pijl moet jlomp terugge fchampen. Moon. gebruikt het, in den zin van vlugten, wegloopen: dit

dezt

Sluiten