is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2do

T r o.

hoere , Kil., tros jongen, troskers, troshiccht, /fflsnarcis, trospaard, troswagen, troswijf, Kil., enz. Druiventros, legertros, veldtros, enz.

FfM, Kil. trosje, torsch, hoogd. ïr<ws, zweed, /ro/r, eng. frz//i, fr. trousfe, ijsl. truts,h van eenen noordfchcn oorfprong. 1 TROSSEN, bedr. w., gelijkvl. //e , ge-

Bij Kil. oppakken, in eenen eigenlijken zin„' in den krijgsdienst gebruikelijk, van het pakken van hooi en ftroo op de paarden ; ook in den oneigenlijken zin van trosfen den misdaedigh.cn. Dit woord luidt in het fr. trousfer , eng. trufs, en is verwant aan drosfen, zijne biezen pakken: met iemand gaan drosjen. Mij ging aanjlonds drosjen; en aan torfchen; zie dit woord.

TROTS, z. n. , m., van den tro's; zonder meerv. Trotschheid, hoogmoed: of wilt gij dwaze meer den frics'erlijken tro's dan uw geweten fchroomen? D. Deck. Uw ijzren {laf, die al hun tro's verplet. L. D. S. P. Een hooge trap van zelfsvcrtrouwen, en vast befluit, om aan alle tegenkanting het hoofd te bieden: ik wil met cdkn trots den weg der deugd betreden. Uit darllen trots. Vond. De daad van trotferhig. Deze beteekenis heeft het woord in : trots den besten, — trots Febus over dag. Poot ; en in: ten tros, dat evenveel is, als met trojering, in fpijt i tentrots van V hed, dat mij mijn] haa'.ers brouwden.L.D. S.P. Uit ma-merjleen de nijt ten trots gehouwen. Vond. Van hier tro'fig, Zamenftell.: heldentrots. Dit wóórd komt van tro'fcn.

TROTSCH, bijv. n- en bijw. , trotfeher , trotschst. Hoo' vaardig, laatdunkend: hoe vermetel, hostro'sch zij zijn. L. D. S. P. Als bijw., hoovaardiglijk : en trolsbraveert met uwe waerde. Vond. Op dat hij zich niet trotsch verhef. L. D. S. P. In eenen goeden zin, vol van een grootmoedig zelfsvertrouwen: uw trots gefi'acht verwacht rechtlchape loten uit zijnen fiam. Vond. Hoe 't ff aren trots van moet 'de Jaag klinkt voor den boeg. Antonïd. Als bijw.: minder trots en moedig prijkt. Bilderd. Figuurlijk, grootsch : ik. zie dien berg den trotfehen tep verheffen. Als bijw.: hoe trotsch praalt gihdfche torenfpiis! Van hier tretfeheiijk, trotschheid.