is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44S

2 w g«"

zweetvosfen. Verkleinw. zweetvosje. Vm zweet, zwee« ten, en vos. Eene foort van vosfen, d. i. roodachtige paarden, wier haar zoo met wit gefchakeerd is, dat . zij fchijnen met zweet bedekt te wezen. ZWEETZIEKTE, z. n., vr., der, of van de zweetziekte ; het meerv. is niet in gebruik. Van zweet, zweeten, en ziekte. Eene, in de zestiende eeuw, bekende aanftekende ziekte , welke uit Engeland naar Duitschland, en vervolgens in de Nederlanden kwam, en met onophoudenhjk zweeten gepaard ging. Zij was bekend onder den naam van engelfche zweeiziekte, ook , engelsch zweet, zweetkoorts, bij Kil. fweetendefteckle, morbus anglicus , fudor britannicus. Wagenaar maakt, in zijne gefchiedenis van Amfterdam, gewag van deze ziekte ; doch vergist zich met te Hellen, dat dezelve, omtrent het jaar 1529 in Duitschland ontftak; daar zij uit Engeland naar Duitschland overgebragt was.

ZWEI, z. n. , vr. , der, of van de zwei; meerv» zweijen. Een fchuinfche winkelhaak; bij Halma. .

ZWELEN, bedr. w., gelijkvl. Ik zweelde,heb gezweeld. Bij Kil. en anderen, met een vork, of gaffel, omkeeren , inzonderheid van het hooi: het hooi zwelen. Van hier zweler.

ZWELG, zie zwelgen.

ZWELGEN, onz. en b. w,, ongelijkvl. Ik zwolg, heb gezwolgen. Eigenlijk, Hokken; eene bij ons reeds ver-

, otlderde beteekenis, welke eenter in het zweed, fvalla', angelf. fvelgan, eng. tofwallow, en deen. jv'dl'e , nog voorkomt. Wij hebben hiervan nog het zamengeftelde verzwelgen , nederf. verfchwelgen: de zee heeft hem verzwolgen. Figuurlijk, zich in eten en drinken aan onmatigheid overgeven: zij doen niets, dan brasfen en zwelgen. Van hier zwelger , zwelgerij , het zwelgen — onmatig gebruik van fpijs en drank — zwelging, zwelg/Ier. Zamenftell.: inzwelgen, verzwelgen , enz., Van het zelfftaudige zwelg, een' flok, oul. de keel.

ZWELGERIJ, zie zwelgen.

ZWELKENBOOM, z. n., m., des zwellenbooms, of van den zweikenboom; meerv. zwelkenboomen. Watervlierboom. Zamenftell.: zweikenboomenhout, ookzwe/kenhout.

ZWEL-