Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXVI.Boek. Geschiedenissen. 31

wel op zou brengen , heb ik met neen beantwoord , maar wel te weeten, dat elk ftuiver een was; of ik ook niet dagt, dat luiden, die Ampten kochten, zouden door fchraapzugt van den Burger haaien wat zy konden; waarop ik antwoorde , met verzoek van het niet kwaalyk te neemen: hoe gaat het nu, met de Officianten ? komt niet menigmaal een Beflelder met een mantje , en vraagt in plaats van zes , agt ftuivers , en wie zal men daar over klaagen?

„ Na deeze verhooring werd ik weder geleid in de eerfte kamer,'en na een poos gewagt te hebben, weder binnen gelaaten, en werd van den Heer Hoofd - Officier aangefprooken: wel Raap , als wy 't eens zo namen, dat gy met geen kwaad oogmerk aangedaan, en geen deel hebt aan het aanplakken van die Biljetten: waar op ik antwoorde , dat is zo, en tot verzekering daar van zeide ik, dat ik daar zo weinig deel aan hadt, als de Burgemeester; waar op de Burgemeester inbragt, dat men met een goed oogmerk wel misdoen kon, 't geene ik bevestigde met het voorbeeld van den Houthakker enz. Waar op weder van den Hoofd - Officier gevraagd werd: of ik hem dan wel wilde beloven morgen ochtent, om half 9 uuren, ten zynen huize te komen , om dat Request in zyn vuur te ver* branden; het geene ik weigerde, voor reden geevende, dat zulks ontrouw met myn vrienden zou gehandeld zyn; dat die lieden haare handtekening aan my hadden

toe-

Sluiten