Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SURINAMEK, XI Hooftjl. 2?

ren maakte; qmtrent onder dezelve, ïeide ik een geed vuur aan, en viel in diepen fiaap te midden van den rook, die my voor het fteeken der muggen bewaarde.

Van infeélen fprekende, moet ik niet vergeten, dat deezen avond een Neger, die droog hout was gaan zoeken, my tot myne groote verwondering, een Kever aanbood, die niet minder dan drie of vier duimen lang, en meer dan twee duimen breed was. Men noemt hem in Surinatnen den Rinoceros, uit hoofde van zyn Olyfants fnuit,die omgebogen en gcfpleeten is, en de dikte heeft van een groote ganzen veder. Dit dier heeft op den kop verfcheide harde en gladde verhevenheden; hy heeft zes ledematen; zyne vleugels zyn breed, en zyn geheele lyf is volmaakt zwart : hy is de grootfte van alle de Amerikaanfcke Kevers.

'Er is ook in Guiana een ander infeól van dit zoort, genaamd het vliegend Hart, uit hoofde van zyne hoorns , die naar de hoornen van een hart gelyken : beiden vliegen met een ongemeen gebrom, en zyn zoo fterk, dat weinige vogelen 'hen durven aanpakken. Een der grootfte ongemakken , die wy in het bosch ondervonden, wierd 'veroorzaakt door een vlieg , zoo groot als een bye, en Wier fteek byna even geducht is. Ik kan dezelve niet beter vergelykcn, dan by het diertjen,

dat

Sluiten