is toegevoegd aan uw favorieten.

Overdenkingen op den dag des Heeren, ter opheldering der H. Schrift, en tot stichting van Nederlandsche christenen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 2g8 )

derwerper), en zyne Leer te gehoorzaamen: gelyk duf.' delyk uu Hoofdft. VI vs. 4a. Matth. XIII vs. X-Len andere plaatzen blykt. 03 0/'

Niet minder nadeelig is het Vooróórdeel, dat Tefus niet meer dan Mensch zy, voor de Christenen Want hoe kunnen zy hem voor den eenigen Middelaar tüsfchen God en Menfchen houden, hoe hem ais den Verlosfer van het Menfchelyk Geflagt befchouwen, of geiooven dat hy den oneindigen God verzoende en bevrediede' wanneer zy zyne Godheid ontkennen, Zonder welke zyn

hem , gelyk zynen Godlyken Vader , Godlyk verëeren

wanneer zy logenen, dat hy waarachtig God zy, en God'

lyke Volkoomendheden bezitte? zy moesten dus in dit

geval, of deze yerëering naiaaten, en dan verzuimen zv

tegens Jefus uitdrukkelyk bevel, den Eerbied, dien God

met recht van hen vorderd; of wanneer zy Jefus, niet

tegenflaande zy hem maar voor Mensch houden, noch-

tans aanbidden enGodsdienftigverëeren, maaken zyzich aan Argodery fchuldig.

De Gerustheid van ons Geweeten, en de Gehoorzaam, heid, die wy aan de Voorfchriften, inde Godlyke Openbaaring begreepen, fchuldig zyn, is daarop gebouwd, dat wy Jefus wel yoor een waarachtig Mensch, doch niet voor Mensch alleen, maar voor den Mensch geworden eenigen Zoon van God houden, en dus zyne waare Godheid, en Godlyke Volkoomentheden, nooitintwyf, fel trekken; offchoon deze Waarheid hooger jS dan al het Vernuft. — Immers de Apostelen des Heeren bekennen zelve, dat de Leer: God is geopenbaard in het Vleesch. eene groote, eene ontegenfpreekelyk groore Verborgent' iieid zy. i firn. m vs. l6m Maafj waarom wi]len

wy, bekend gemaakte Verborgentheden, om dat zy voor onsonbegrypelyk zyn, verwerpen? - Moet niet deze onbegrypelyke Verborgentheid der Menschwording van oods Zoon, ons overtuigen van de onmeetelyke en onbegrypelyke Grootte van Gods Liefde omtrend ons 2 T0h, 111 vs. 16. 1 Joh. IV vs. 9. En moeten wy niet, in

plaats