Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

236 Wat veele menfchen verleid

want, deeze beftaat in de hereeniging van de ziel met het ligchaam, dewelke gééne plaats kan vinden als de ziel ftoffelyk en dus niet van het ligchaam onderftheiden is. Ook volgde 'er uit, dat, al wilde God het in ftof ontbonden ligchaam weder famenzetten, dit gééne opwekking maar eene nieuwe fchepping ofte herfch°pping van den mensch zyn zou. Met tweede denkbeeld deed hen gelooven, dat 'er gééne opftanding der dooden te verwachten was, om dat 'er gééne reden was waarom die zou gefchieden, en zy de reden, die men daartoe bybragt, naamlyk om den ftaat der belooning in het toekomftige leven te voltooijen, van allen grond ontbloot oordeelden. (*)

Behalven deezen had men ook de Esfeën onder de Jooden. Van deezen bericht ons Jofephus, dat zy leerden, dat hunne ligchaamen fterflyk waren, en derzelver ftof niet duurzaam was; maar dat de zielen onfterflyk waren, en altoos bleeven; dat die uit de ligtfte lucht gevormd , en door eene byzondere neiging of byna betovering in het ligchaam als in een kerker waren gefloten geworden. Maar dat , wanneer zy zich van de banden des ligchaams hadden vrygeraaakt, en als uit

eena

(*) Conf. bruchner. Hist. Philof. Tom. %, p. 725, fragen aus der Philof. Hist. IV, 144.

Sluiten