Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelve, met het geen 'er aan toegefchreven wordt, genoegzaam zeker te kunnen opmaaken, of er eene waare tegenftrydigheid plaats hebbe, dan niet.

Ondertusfchen, het is onmogelyk , dat de menfchelyke ziel ftellige denkbeelden vorme van zulke weezens, welker natuur en werking geheel en al buiten den kring van haare bepaalde vatbaarheid, of zinnelyke gewaarwordingen, gefteld zyn: alhoewel derzelver beftaan en uitwerkzelen haar kenbaar worden. Daar en boven, het verftand van menfchen, niet alleen, maar ook van alle redelyke fchepzelen , hoe voortreflyk zy ook zyn mo. gen, kan geen ftellige denkbeelden vormen van het oneindig Opperweezen.

Derhalven, fchoon het niet tegenftrydige mogelyk is, zoo volgt echter niet, dat, ten aanzien der voorwerpen, van welke wy geene ftellige denkbeelden hebben, alles mogelyk zy, waarin wy geene tegenftrydigheid ontdekken: nadien er in zulk een voorwerp iets zou kunnen zyn, 't welk, zoo wy er een ftellig denkbeeld van hadden , ons zou doen beiluiten, dat, het geen wy anders zouden denken mogelyk te zyn, volftrekt onmogelyk is.

Eb wederom, fchoon het tegenftrydige onmogelyk is , zoo volgt echter niet, dat, ten aanzien der voorwerpen van welke wy geene ftellige denkbeelden hebben, iets onmogelyk zy, om dat wy, uit vergelyking van ftellige denkbeelden, die wy van andere zaaken hebben, daarin eene tegenftrydigheid meenen te ontdekken: nadien er in zulk een voorwerp iets zou kunnen zyn, 't welk, zoo wy het

regt

Sluiten