Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods Opperheerfchappije.

S- 3-

De opperheerfchappije van God, of zijn techt om wetten te geeven, wordt verkeerdlijk uit zijne magt, of wijsheid, of uit onze dankbaarheid afgeleid.

Wanneer wij van zonden tegen eene Godlijke wet, of van daaden fpreeken, die door een voorfchrift van God voor zonde verklaard zijn, dan moet vooral beweezen worden, dat God onze opperheer is, dat heet met andere woorden-, dat Hij het recht heeft ofn ons te beveelen , en zijne bevelen met bedreigingen te vergezellen. Die daaden, die Godverboodenheeft, zouden wel niet onverfchiliig, maar kwaad, of ombepaalder te fpreeken , nadeelig zijn ,wanneer God ons ook geene wet gegeeven had. Bij dezelfde inrichting van ons ligchaam en de overige dingen in de weereld zoude eenonkuisch leeven voor degezondheid even zoo nadeelig, en moord en diefllal even zoo haatlijk geweest zijn, als tegenwoordig. Dat zekere daaden nadeelig, dwaas en haatlijk zijn, dit ontftaat uithaare eigene gedeldheid en natuurlijke gevolgen, en niet uit Gods wet: en deshalven is deGodverzaaker zelf genoodzaakt, om dat geene wat wij zonde noemen, voor kwaad, dat is, voor nadeelig, dwaas en haatlijk te houden. Zelfs de voor ons onvermijdelijke zonden, die de Godgeleerde zwakheidszonden noemt, en de tegen onzen wil opkomende ongeregelde begeerten, waaromtrent nog kan geredentwist worden, of de Bijbel ze voor zonde verklaart of niet, zouden een kwaad geweest zijn, indien God ze niet verboden had. Maar wij vraagen nu, welk recht God gehad heeft, om van deeze aan en voor zich nadeelige daaden nog iets meer, om 'er zonde van temaaken, en 'cr buiten de natuurlijke gevolgen willekeurige ftraffen op te ftellen ?

Men

Sluiten