is toegevoegd aan uw favorieten.

Verklaaring over het Nieuwe Testament.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Euangelium, Hoojdfl. XXII: 29, 30. 23ƒ

Christus vers 17. geevende hem dus het antwoord als in den mond: zo geeft dan, den Keizer, wat hem toekomt. Dewyl gy naamlyk 's Keizers onderdaanen zyt wil Hy zeggen, zo kunt gy immers duidelyk zien, dat het regt en billyk is , hem het zyne te geeven , dat geen nuamlyk, wat de Overheid toekomt. Doch, voegt hy er by, geeft niet flegts uwen aardfchen Heere, wat hem toekomt, maar vergeet ook de pligten niet jegens uwen Hemclfchcn Koning. Met weike laatfte woorden hen de Heere ter overdenkinge wil leiden , dat, wanneer ze dit voorheen gedaan, en ten allen tyden naar deszelfs geboden geleeft hadden, zy nimmer onder een Heidenfche Mogendheid zouden gekomen zyn.

Hierop wiften,volgens vers22. deze fchrandcre vraagers, die hem deze vraag als een net en valftrik hadden voorgelegd, niets te antwoorden, maar moeiten zig over zyne wysheid en kloekzinnigheid verwonderen, en befchaamdheen gaan,

vers 29. Gy dwaalt en verflaat de Schrift niet. Ik had dus moeten overzetten: gy dwaalt, om dat gy enz. Het participium, Uhrtf, wyft de rede hunnerdwaalinge aan. Het is ook geheel niets vremds, dat in het participium het om dat verborgen ligt. By het verklaaren van deze plaats, hebben Hammond en Clericus beide zulks ge, zien; en Marcus heeft het buiten allen twyfel gefield, door zyn tSt* Marc. xii; 24.

Dus waren er twee oorzaaken voor de Sadduceeuwfche dwaaling. Zy hadden, voor eerft, de H, Schrift niet regt nagegaan , daar ze zig nogthans Schriftgeleerden noemden. Hunne overdenkingen derzelve waren niet grondig genoeg, gelyk hen Christus zulks vers 31 en 32. toonde, en eenige Schriftgeleerden vervolgens ook, naar het getuigenis van Lucas xx: 39. erkenden. 7en anderen, begreepen zy Gods magt niet regt. Ten laatften dage der waereld, de Menfchen, die van't begin derzelve tot haar einde geftorven waren, op te wekken, en hen het leven weder te geeven, hielden zy voor iets, *t welk Gode onmogelyk was. Ontkenden zy daar door niet Gods Almagt?

vers 30. Want naa de Opftanding. Dus zet het ook

Ger.