Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING. fi5

van het algemeen. Een volk, het welk een maal zijne vrijheid verloren heeft, en onder het juk der dwinglandij gebukt blijft , (*) verliest ook tevens zijnen eerften luister: zijn moed is geheellijk uitgevermogen daar van het wezenlijke fleunzel uitmaakten, en dat het gemeenebest, beioofd van zulk een f'teun, ten vollen gelijk geüaan zoude hebben, niet een werktuig, wiens fpringveeren hier te zwak, daar weder te frerk, niet te linnen werken konden, dan om elkander weerzijds te rug te fiolen, of ie vernielen. Cerutti.

C') Die landen, waar de vorst het willekeurigst heerscht, zijn tevens ook die gene, waar deze onafhaugclijke gebieders de minfie magt bezitten. Zij eigenen zich alles toe; verwoesten alles; en hebben alleen alle de goederen van den ftaat in handen; doch deze fiaat kwijnt ook ten gelijken tijde: de landen liggen onbebouwd, en zijn bijkans geheel verlaten. De lieden nemen dag aan dag in vermogen af ; de bronnen van den koophandel drongen uil. De rijksgebieder, die niet geheel alleen, zonder ónderdaanen, hcerfcher blijven kan,eri gecne waare grootheid bezit, zo hij die niet van het volk ontleent — deze zelve, verzinkt allengs in het niet, door de onmerkbaare vermindering van het getal der be, wooneren van zijn rijk, van welke hij te vooren zijne rijkdommen en zijn vermogen ontving; zijne ftaaten worden in geld en menfehen tevens uitgeput; dit laatfte verlies is het grootfte, dat immer mogelijk was, en te gelijk onhcrftelbaar, terwijl zijne volftrekte willekeur hem even zo veele flaaven verfchaft, als hij ónderdaanen telt. Men vleit hem; men vertoont zich, als of [men hein aanbidt, zijn enkele blik is reeds genoeg, om ieder te doen tzidderen: dan, dat 'er flegts de minfte fchijn van eene omwenteling aanlichte, en deze geheel onnaturelijke oppermagt, tot de geweldigfte uiterlien gedreven, is van geenen, den aller minften duur; de zelve vindt geene het geringfte fteunlél in het hare des volks; zij heeft het geduld van alle de onderfcheiden Handen reeds veel te lang gerekt, en deze dus verbitterd; daar zij elk onderfcheiden lid der maatfehappij naar eene verandering haaken doet. Op den eerften flag, dien men daar aan toebrengt, fpat deze afgod reeds in ('tukken, en men vertrapt dien met den voet. De verachting, de haat, de vrees, de wraakzugt, het wantrouwen ■— in een woord, alle mogelijke hartstogten verëeneu zich tegen eene zo gehaatelijke pyerheerfching. De vorst, die, te midden van eenen zoo bedricgelijken voorljioed, geenen enkelen fterveling vond, die moeds genoeg bezat, om hem*de waarheid te doen hooren, zal in zijn ongeluk gewis ook niemand aantreflen, die zich ver" vaardige, hem te ontfchuldigen, of tegen zijne vijanden te verdedigen.

F E N li L O N.

B 5

Sluiten