Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Apoflelen Hoofdfl. XXV: 14, 16. 523

den nieuwen Keizerlyken Stedehouder te begroeten, en zich in zyne gunst te beveeien.

vers 14. Naa dat zy aldaar nu eenige dagen geweest waren, verhaalde Festus den Koninge de zaak. van Paulus, en fprak: Felix heeft (my) eenen gevangen achtergelaaten. 'a>/9-sto hy verhaalde. Dus fpreeken ook andere Griekfche Schryveren, die Elsner aanhaalt.

Ik kan niet nalaaten te denken, dat de Landvoogd ook hierby ten oogmerke gehadt heeft, het misnoegen der Jooden tegen zich te verminderen. Wanneer een Joodfch Koning zelf zyne handelwyze ten opzichte van Paolus goed keurde, moest dit natuurlyker wyze ftrekken, om het misnoegen der Jooden daar over te doen afneemen.

vers 15. Toen ik nu te Jerufalem was, verfcheenen zynentwege de Opperpriesteren en de Oudften der Jooden voor my, en baden my, dat ik hem ter ftraffe wilde veroordeelen. a.'*.»» «it»^»»/, zy baden my, dat ik het vonnis der verdiende ftraffe over hem wdde uitfpree-

]*en. Deeze manier van fpreeken heeft Wetstein

ook by andere Grieken gevonden. Men zie ook de aantekening van Wolf. '

Dat door a-jeM-wV, de Opperpriesteren, dat is de hoofden van de Pricstcrfchap met en benevens den eigenlyken Hoogenpriester verftaan worden, beeft Lange aangemerkt. Lukas fpreekt kap. XXII: 30 en XXIII: 14 ook zoo.

vers 16. Dan ik gaf hun ten antwoord: bet is by de Romeinen niet gebruiklyk, iemand aan anderen ter ftraffe overteleveren, maar den gedaagden moeten vooraf zyne befcbuldigers onder het oog gebracht, en bem moet tyd gelaaten worden, om zich, ten opzichte der befcbuldiginge, te verantwoorden. Cicero fchryft in zyne vierde redevoeringe tegen Verres (p). Stbenium abfentem inreos

reCp) Örationum T. L part. II- pag. 374, Edit. Grceviance: Vertaaler.

Sluiten