Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23t> Verklaaring van den tweeden Brief

kunnen zien, hoe zwaar de Uitleggeren dit vers geoordeeld hebben , daar het nogthans zoo ongemeen duister niet is. Men ziet, dac niet weinigen onder hen daar aan zeer vreemie, in haast opgeltelde, en niet genoeg doordachte verklaaringen gegeeven, maar ook veelen zich zeer bevlytigd hebben, om de rechte betekenis van deeze woorden te vinden, fehoon alle hunne moeite vruchtloos geweest zy.

De rechte verklaaring komt hierop uit: " Ik ken „ thans Diemand naar hec vleefch, dat is, ikonderzoek niet, of iemand een Jood en dus met my ver„ maagfchapc is: ik maak derhalven tusfchen geboo,, rene Jooden geen onderfcheid. En alhoewel ik mee „ Christus natuurlyk vermaagfehape was, dewyl ik, „ zoowel, alshy, van Abraham afftamme, zie ik 9, nogthans thans op deeze verwandlchap niec, maar „ houde de bekeerde Heidenen zoo wel voor myne ,, Broederen, als'de bekeerde Jooden. " Men zie ook Rom. IX: 5. Gal. III: 28, V: 6, VI: 15, en Coxoss. lil: rr.

Erasmus heefc hec, in zyne Parapbrafis, ook zoo Uitgelegd: Ipfi licet de genere Israëlitico gloriari posfi. mus , tarnen, posteaquam Christofumusinitiati, neminem novimus fecundurn carnem. Hos cognatos ducimus, qui fidei confortio nobis copulantur. Frustra igitur gloriantur quidem, quod gentem habent cum Christo commuwem, quod Mi fanguinis propinquitate junStifunt, quod cum eo corporalem habuerunt confuetudinem. Quisquisper baptismum infitus est Christo , non cogitet: Hic Judceus est, Me Grcscus (idest, Ethnicus) fedmeminerit, unitnquemque renatum in novum hominem, jam e carnali facturn esfe fpiritualem. Abfint Mee voces: Hic Grotcus est, Mc Judceus. Defiitesfe, quoderet.

Van denzelfden aart is ook de verklaaring van Beausobre: " Paulus fchryft hy —ziet niet meer

„ op bloedverwandfchap; Jooden en Heidenen zyn in „ zyne oogen gelyk. By aldien wy Christus in het „ vleefch gezien hadden , en , gelyk Johannes en Jacoeus, bloedverwanten van hem geweest waren,

»i zo 14.

Sluiten