Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22 XXI. LEERREDE

Hoe ijlende fpoeden zich thands nu zijneZoonen ! Zij zien ook reeds van verre hunnen Vader, wien hunne tijding moet zaligen. Elk wil derzelver eerile bode zijn: — hun aller mededinging maakt, dat niemand de eerfte is. Jakob ziet het, en zijne bevreemding rijst. „Wat zal dat nu weer zijn?" komt hein ongemerkt in het harte op. Het is: „ joseph leeft nog, ja hij is die Re„ geerer in Egijpteland!" Die taal, door aller mond eensluidend uitgefproken, ruischt hem bedwelmende in de ooren. Zoo verrukkende was de taal des Engels niet, die abraham in het {lachten van zijnen izaa k ftuitede! ,, God zal het voorzien (*);" was deszelfs taal geweest: God zelf kon, in jakob's oog, na joseph's dood niet meer voorzien. „ — Zijn hart bezweek; ? 't vertrouwen op Gods magt en wondérweg was hier te kleen,- zijne vreugde over simeon en benjamin was weg ; het joseph leeft nog, drie en twintig jaaren, na het betreuren van zijnen jammerlijken dood te hooren; Regent van gansch Eglptc, wicn een wreed dier als eenen weêrloQzen herderszoon verfcheurde; het vernieuwd gevoel van al dat leed, die

fchok,

(•) HOOFDST. XXII. 8.

Sluiten