Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWAALFDE HOOFDSTUK. 145

|l maar wie niet kwam , was kaatje "

„ Wel, mijn hemel!" antwoordde de dienstmaagd, zijt gij de drommel , of zijt gij dubbeld in de „ wereld ? daar is reeds een Heer in de kamer ,

„.dien ik" „ Wat fatan ! " fchreeuwde

de andere, „ een Heer? wacht maar, gij bedrieg,, fier! " en zo liep hij met geweld in het kamertjen , toen de Dame zig even wederom opgeraapt

had de dienstmaagd volgde, maar wij hadden

geen licht , en niemand had lust om het te haaien: de Heer lozer niet, dewijl hij vreesde, dat zijn gewaande mededinger hem mogt ontkomen ; misfchien had hij ook geen licht in het huis kunnen vinden ; en wij overigen hadden gegronde redenen , waarom wij dit geval niet wilden opgehelderd zien .: het kwam derhalven tot eene fterke woordenwisfeling , waarin ieder zijne zaak van de beste zijde voorflelde , ( gelijk in een Ouartet , bij het flor. van een bedrijf in een Opera Buffon,) toen ccnsllags de vijfde man met een lantaarn de kamer kwam influiven, die ons allen niets minder dan welkom was, en deeze vijfde man was, gelijk ik opmerkte uit de tedere aanfpraak, waarmede hij ons begroette, niemand anders, dan de waarde echtgenoot en huisheer ; mogelijk had hij t' huis iet vergeeten , of misfehien ook zijne vrouw willen verrasfehen — in 't kort , hij kwam onverwachts, en toen hij het huis ingetreden, en, waarlchijnelijk door een vreemde dienstmaagd , met een lantaarn verzeld was , (want ik vond , toen ik het liaazepad koos , zulk een fchepfel aan dc deur, ) wasK

Sluiten