Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44 PIETER KLAUS.

„ wen, 't geen een paar zotskappen uitgevonden „ en vervolgends het overig gedeelte der wereld

opgedrongen hebben te gelooven."

„ Wij kwamen welhaast in een bekoorelijke va„ lei , wier ruime omtrek een menigte van hut„ ten bevattede, die overal verftroóid lagen —„ een voortreffeijk, lagchend gezicht! de hutten

„ waren zeer eenvoudig gebouwd wat zeg

„ ik! gebouwd? geplant van de fchoonfte

bloejende boomen, wier takken door elkander „ gevlochten en gegroeid waren : aan de ingangen „ deezer hutten zaten oude menfehen , die zig „ vermaakten met den aanblik van de fchoone Na„ tuur, en met de vreugde hunner kinderen en

kindskinderen, waarvan eenigen vrolijk rond„ fprongen, en zig door allerleie ligchaamsoefenin„ gen verlustigden, terwijl kleiner wichten van „ beide fexeu in het bonte gras fpeelden — met „ gezondheid, blijgeestigheid en oufchuld op de „ aangezichten van allen, door Gods vinger lees„ baar getekend."

„ Zo als wij voorbij eenige hutten heengingen, a, kwamen de kinderen al fpringende aan, trokken „ mij met verwondering, niet onbefcheiden, aan de „ klederen , zagen elkander aan met blijken van „ bekommering en gaven door tekenen .te kennen, ,, dat zij mij voor een ziek, half dood mensch „ hielden: maar de Ouders fpraken met mijne ge.,, leiders, en keerden, zonder juist zeer veel nieuws„ gierigheid te toonen, weder tot hun fpel en „ arbeid j doch deeze arbeid werd niet verricht

Sluiten