Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koning van Pruisfen. 233

„ laaten maaken, welke ik Uwe Majefteit hier nevens „ ter hand ftclle, in gevalle dezelve mogt goedvin„ den , ze geheel of ten deele te doorlezen. Het „ Gefchrift van den Abt Jerusalem heeft zyne ver„ dienften, en komt my voor, met waarheid, be„ fcheidenheid en zuiverheid van bewoordingen op„ gefteld te zyn. Hy ftemt over het geheel de oor„ zaaken toe, welke Uwe Majefteit als de vertraging „ van den voortgang onzer Taal opgeeft, te weten, „ de oorlogen, door welken Duitschland twee hon„ derd jaaren lang veiwoest is, en het gebrek aan „ befcherming en opwekking van den kant der Re„ genten. Hy ftaat toe, dat de welfprekendheid in „ de Geregtshoven cn de Kerk in Duitschland nooit „ zo luisterryk kan worden als in Frankryk , uit „■hoofde der Conftitutiën, en grondregels van den „ Godsdienst, waar over hy vry aanmerklyke zaaken „ zegt. Verders erkent hy, dat de Hoogduitfche Taal „ ten aanzien van welluidendheid voor de Franfche ,, onderdoet. Integendeel beweert hy, dat zy deeze „ in kragt overtreft, en volkomen zo welluidend

is, als de Griekfche, welke even zo veel Confonan„ ten als Diphthongen heeft. Eindelyk zegt hy, dat „ federt de Regeering Uwer Majefteit, en federt het „ verheven voorbeeld, welk dezelve door de Beöefe„ ning van alle Wetenfehappen aan gantsch Europa

gegeven heeft, de Hoogduitfche Taal en Littera„ tuur eene veerkragt heeft bekomen , welk haar „ binnen kort den voorrang boven de anderen ver-

„ fchaf-

Sluiten