Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joodschen Volks, i$

„ pasfen, en men ziet hoe weinig hy gedacht heeft zynen.

broederen iets te zeggen, waar door zy konden worden ,, beleedigd;" want na dat zy hem met harde woorden hadden toegegraauwd: „ Zoudt gy onze Koning zyn?" kwam hy andermaal tot hen, en zeide: „ Hoort eens, ik

heb wederom eenen droom gehad." —

Op de aanmerkingen over de Gefchiedenis en het Caratler van B i l é a m , welke in dit Werk, bladz: 155enz. voorkomen, Kan men ook veel zeggen, en dewyl dit iets is, waar over onder de Uitleggers zoo verfchillend gedacht wordt, hadden wy gaarne gezien, dat de Schryver minder gezogt en gedrongen geredeneert, of zyne gevoelens, met meer voldoende bewyzen hadde geltaafd.

Maar wat heeft den Schryver bewogen, om bladz: 173, tegens het uitdruklyk verhaal by Jo s ua vi: 20, ter needer te (tellen, dat de Israëliërs, by de belegering van Jericha, de muuren dier Stad omver haalden, en op deeze wyze meester van dezelve wierden ? voegende er vervolgens, ia de aanteekening, nog het volgende by: „ langen ryd heeft

men gelooft, dat Jericho's muuren door fchreeuwen s, omver gevallen waren. Het zy genoeg dit gevoelen „ flechts aangehaald te hebben ; het weederlegt zich

zelfs. Alleen konde men vraagen: waar toe zoo

„ veele omftandigheden ? Het antwoord is : om dat de „ Israëliten zelve bevreesd waren, en trapswyze dapper„ heid moeiten leeren." Waarlyk, indien men op zulk eene wyze met de Bybelfche Gefchiedverhaalen wil om. fpringen, kan men van dezclven alles maaken wat men verkiest.

Met betrekking tot het recht der IsraijHers op Kanaan^ leezen wy, bladz: i83* het volgende: „ Het zoude ge,, heel buiten het bedek van myn W rk zyn, indien ik j, my hier nopens de aanhaalmg en beoordeeüng van ver„ fchcide gevoelens der Geleerden over dit ïtuk wilde in„ laaten; weshalven ik my vergenoege, die vraag flegts )9 met eene andere te beantwoorden: Wat voor een recht

8, had-

Sluiten