Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER WETTEN. «9

Wanneer eene vrouw,welke eenen man had, die in den oorlog diende, niet meer van hem vernam, dan kon zij, in de eerfte tijden, zeer gemaklijk tot een tweede huuwlijk overgaan, om dat zij de magt in handen had, om het huuwlijk te doen fcheiden. De wet van Confiantinus (u) wilde, dat zij vier jaaren zoude wagten, na verloop van welken tijd zij haar fmeekfchrift om echtfcheiding kon inleveren. En wanneer dan de man naderhand terug kwam, dan kon hij haar van geen overfpel befchuldigen. Maar Justinianus (v) beval, dat hoe veel tijd 'er ook zedert het vertrek van den man verloopen ware, zij egter niet weder mogt trouwen, voor dat zij door eene verklaaring van zijn opperhoofd , met eede gefterkt, kon bewijzen , dat hij dood was. Justinianus had de onverbreekbaarheid van den echt in het oog; maar men zou kunnen zeggen, dat hij wat al te zeer met dezelve ingenomen was. Hij eischte een ftellig bewijs in een geval, waar een ontkennend bewijs voldoen konde. Hij vorderde eene zeer moeilijke zaak, om rekenfchap te geeven van het lot van een mensch , die in verre landen, en aan zo veele gevaaren blootgelteld was. Hij onderlielde eene misdaad, dat is te zeggen een oogmerk

(u^. Leg. 7. Cod. de repudiis, & judicia de moribus fuhlato.

(?) Auth. lodie quantiscumque. Cod. de repud. P *

XXVI.

HOEK,

IX.

i O O F DS T UK.

Sluiten