is toegevoegd aan uw favorieten.

Hollands rijkdom, behelzende den oorsprong van den koophandel, en van de magt van dezen staat.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii3 HOLLANDS

en de vermogens der Colonie met betrekking tot die hunner vijanden hoe Janger hoe minder geworden.

Het gevaar, het welk der Colonie bij den duur boven het hoofd hing, deed zich wederom klaar zien ,toen het krijgsvolk van den Staat vertrokken was. De noodzaakelijkheid , om meerder krijgsmagt in de Colonie te onderhouden, was te blijkbaar om 'er tegen in te leggen: maar men bleef altijd hangen aan 't gefchil over het draagen der kosten; en men kwam tot vermeerdering van macht niet dan wanneer het te laat was; wanneer de vijanden bereids zoodaanig in talrijkheid, in ondervinding, in bedreevenheid, waren toegenomen , dat de vermeerdering van militie, met betrekking tot den aanwas van de vermoogens der Negeren, telkens te gering was. In den jaare 1759, werd 'er door de Sociëteit en de Coloniers eene Conventie geflooten om de zes honderd man militie, bereids in dienst van de Sociëteit zijnde, te vermeerderen met nog een bataillon van zes Compagnien, ieder van een honderd man, tot welks oprichting en onderhoud de Coloniers jaarlijks fourneeren moeiten meer dan ïwee honderd duizend guldens : en in den jaare 1762, gaven de Directeuren van de Sociëteit in eene Dedudtie, om betaalinge te erlangen van achterltallen, welke zij vermeenden dat de Provincie van Utrecht hun verfchuldigd was, voor eene der twee redenen, welke hen toen noopten, om met de uiterfie ernst en ijver te ihfteeren op de betaalinge van dien, de ftoutheid der Bosch - Negeren, welke tot eene immenfe menigte aangegroeid waren, en verregaande ongehoorde buitenfpoorigheden , rooverijen, en moorderijen pleegden (a); en (zeggen de Directeuren vervolgens) „ offchoon , federt

„ het

[ê) Jaarboeken, Julij 1702. bl. 493.. en volgg.