Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 147 )

Üiüs (het zy dan , dat Pelagius zelf, 'er al of niet aan fchuldig geweest zy) verftaat, en die uit zo veele gehoudene Predikatiën onzer voorige Predikanten , inzonderheid uit die van Ds. Baum en Jiinisch te bewyzen zyn zoude, niet meer wil hooren noemen, om daar door, by een volftrekt ftilzwygen van alle die oude en thans weder opgewarmde Ketteryen, des te beter gewonnen fpel, met het weder invoeren dier dwaalingen te hebben; genoeg Directeuren oordeelen , dat het de onvermydlyke pligt van elk rechtzinnig Luthersch Leeraar is, om zyne Toehoorderen opmerkzaam , op de tegenwoordige gefteldheid der tyden, te maaken, en hun, zo hy ziet, dat men voorneemens is, om oude dwaalingen weder op te delven , en onder voorwendfel van de vorderingen van deezen tyd in de uitlegkunde, en dat men ten minften eene halve Eeuw in de Godgeleerde Studiën vooruit is , der onbevangene en niets kwaads vermoedende meenigte fmaaklyk te maaken , daarvoor getrouwlyk te waarfchouwen, en te gelyk de bronnen aantewyzen, waaruit men die zogenaamde nieuwe kundigheden geput heeft, en dit niet door exclama* tien of magtfpreuken, (dit is het gewoons ' gebrek , waaraan de hedendagfche nieuwe K 2 Her-

Sluiten