Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

200 HOUWELYK Hy gaf, flux naar het woord, zyn paard de volle fpoorea , En heeft zich weg gemaakt, en in het woud verlooren. Odatis ftond verbaaft. Den Brief lag in haar hand, Daar zy in Griekfe Taal aldus gefchreven vand: Den brief die gy ontfluit, öBlom van alle Maagden! Die door een zoet gelaat aan Princen ooit behaagden. Komt u van zeker Vorft, die nooit u fchoonheid zag, En zich noch evenwel u dienaar roemen mag: U Dienaar wil ik zyn, en mocht 't u behagen, lk wil u zyn verplicht voor al myn levens-dagen; Zoo dat de dood alleen, en anders geen geval, Ons banden open doen, ons handen fcheiden zal. 't En is geen menfchen werk, dat ik u ga befchryven; Gy moet in dit geval u zinnen hooger dryven. 't En is geen aardfche tocht, daar uit myn liefde vloeit, De Goden even-zelfs die zyn 'er in gemoeit. Het is op dezen dag by-na een jaar geleden, Dat al het Hof-gezin, dat al de groote Steden, Dat fchier geheel het Ryk tot my in ootmoed quam, En ried my tot behoud van ons vermaarde Stam: Myn raden al gelyk, die by den handel waren, Die hielden deftig aan om my te mogen paren, Men fprak 'cr van een feeft, en van een jonge Vrou, Op dat het gantfche Ryk de vrucht genieten zou. Myn eerfte Kamerling, van ieder een geprezen, Heeft my nu menigmaal Princeflen aan gewezen, Princeflen op gefpoort, Princeflen toe gedacht, En even met 'er daad Princeflen toe gebracht: lk zag de luiden aan, die my den handel rieden, Maardacht in myn gemoed, 't en konde niet gefchieden ; Ik was van myner jeugd genegen tot de jacht, Zoo dat ik nimmermeer op echté vrouwen dacht. ISfoch zeid' ik evenwel, ik wilde my beraden, En denken om het ftuk, daarom de Stenden baden; Dan "t was maar om de fleur al wat ik doen beftond; Want ik en bad geen luft tot vrou of trou-verbond. Ik bleef dan als ik wasik bleef als noch genegen, Om in het woefte bofch myn vreugd te mogen plegen.

Eu

Sluiten