Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

' het boek

Hoofdfl. ter aarde neder, en bleef zoo liggen tot aan den Vn' avond, gelijk ook met hem de oudften van Israël, ook ftrooiden zij ftof op hunne hoofden.—

vs. 7. [In deze geftalte] fprak josua: Ach Heere, jehova ! waarom toch hebt gij dit volk door den Jordaan doen trekken, om ons in de magt der Amoriten te leveren , opdat die ons verdelgen zouden ? Ach! dat wij liever te vrede geweest, en aan de overzijde van den Jordaan gebleven wa8. ren! Helaas! Heere! wat zal ik zeggen, nadat Israël zijnen vijanden den rug heeft toegekeerd? <p, — Als de Kanaiiniten, en alle de bewooners van dit land dit hooren, zullen zij ons omringen, en zelfs onzen naam van den aardbodem uitroeien; en wat zult gij voor uwen grooten naam doen ? —

10. jehova gaf aan josua dit antwoord: Sta op,

11. waar toe blijft gij daar op de aarde liggen ? De Isrnëliten hebben zich bezondigd; zij hebben ook mijn verbond, dat ik hun voorfchreef, verbroken; zij hebben, van het geen verbannen was, genomen; dief (lal gepleegd, en zich met leugens beholpen , en [het geftolene] onder hunnen huisraad

12. gehgd. — Nu zullen de-Israëliten voor hunne vijanden geen fiand kunnen houden, maar denzelven hunnen rug moeten toekeer en ,wam zij zijn onder den ban. —- Ik zal voordaan niet met u wezen, indien gijlieden dien ban [en den genen, die daar aan fchuldig is,] niet uit uw midden

13. uit delgt. — Sta op, laat het volk zich heiligen; zeg hun aan: Heiligt uzelven tegen morgen, want, zoo luidt de Godjpraak van jehova, den

God

Sluiten