Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IfjO ONDERRICHT VAN DEN GODSDIENST

den blixem, doen gevoelen, en ons belaas! zo draa wij niet op onze hoede zijn, dikwijls voortfleepen tot het uiterst verderf. — Heilzaame, weldaadige inrichting onzer natuur! Immers, wierden onze geeften bij eene groote of onverwachte beleediging minder fpoedig en geweldig beroerd, dan zouden wij ter onzer verdeediging wel arbeiden, maar met minder fpoed, mee meerder loomheid; en onze vermogens zouden of in 't geheel niet, of misfchien veel te laat, tot die hoogte opklimmen, die er gevordert wordt ter afweering van het dreigend onheil, of tot onze daadelijke behoudenis. Dan dat geen M. V. 't welk plaats grijpt bij alle andere driften, juist dat zien wij ook in 't geval van den toorn gebeuren. Die weldaadige oogmerken, die de Godheid, door ons vatbaar te maaken voor toorn, bij ons wilde bewerken, worden door onzen fchuld ganschlijk verijdeld. Dat geen, dat goed, onverbeterlijk goed was jn den aanleg onzer natuur, doen wij, zo draa wij onzen toorn niet veriïandig beteugelen, uiterst verwoestend worden voor onze gezondheid en deugd', voor onze rust en gelukzaligheid, en te gelijker tijd hoogst noodlottig en zeer verderflijk voor het belang der Maatfchappij. Rampzalige, hoogst rampzalige uitwerkzelen van den verkeerd beftierden toorn, doo-r eene daaglijkfche en treurige ondervinding te zeer bekend, dan

dat

Sluiten