Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 18 )

aan al, wat Hy gemaakt hadde, en tiet, hit was zeer goed, Gen. I: 31.

Art. 7.

Van de Onderhouding van al het geschapene.

Wy gelooven en belyden, dat al het gefchapene , door dezelve oneindige Magten denzelven werkdaadigen wille van den Schepper, in deszelfs beftaanlykheid voortduurend onderhouden word; ftraalende in deeze onderhouding van de gefchapene natuur de wonderbaare wysheid en goedheid van God allerwege zichtbaar door , volgens Pf. C1V: 24—30, Joh. V: 17. Handel. XVII: 28.

Wy hebben daarom eenen afkeer van het gevoelen der geenen, die beweeren, dat de natuur, zonder tusfchenkomst van Gods oneindige Magt, enkel op zich zelve werke en voortduurend bejïa*

Art. 8.

Over de Godlyke Voorzienigheid.

Wy gelooven en belyden, dat 'er eene Godlyke Voorzienigheid is, dewelke in alles, wat'er is en gebeurt, haaren invloed heeft, alle zaaken, niet alleen groot en en voornaa-

Sluiten