Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

336 ELFDE HOOFDSTUK,

Over 't Paradij? enz.

tot hem bragt een naam gaf, dewijl zij in dien tijd nog niet over de aarde verfpreid waren; en gelijk wij 't bl. 54, verklaard hebben adam noemde hen levendige zielen.

s- 9.

Men heeft ook moeite .aangewend, om de gelegenheid van 't Paradijs, als moses die opgeeft Gen. II: 8—14, fabelachtig en ongelooflijk te doen voorkomen, en daarom maakt men van den Gihon den Nijl, en van den Pifon den Phahs, en zegt dan: daar zijn omtrent 1800 mijlen van de bronnen van den Nijl tot die van den Phafis; dus zullen adam en eva veel te doen hebben gehad, om zulk een grooten hof te bebouwen. Voorzeker laffe fpotternij, waar uit blijkt tog zo zeker, dat men door den Gihon den Nijl (a) hebbe te verftaan? 't blijkt daar immers niet uit, dat die rivier gezegd wordt 't land Cusch om te lopen, of men moest bewijzen kunnen, dat 'er oudtijds geen ander landfchap van dien naam dan in Afrika geweest is? Men kan door den Gihon, gelijk wij voorheen zagen,

ge-

(a) Het is geen grond genoeg voor ons, dat flav. josephus hier den Nijl vertlaat; zo min als wij op zijn getuigenis mogen geloven, dat de zoonen Gods Gen. VI: 2, Engelen zouden geweest zijn.

Sluiten